Selecteer een pagina

HR 29 juni 2012, LJN BW1981 (Melfund/Wagram)

Indien de door gedaagde tegen een bepaalde uitleg van de overeenkomst aangevoerde verweren vooralsnog niet inhoudelijk zijn beoordeeld is de uitleg waartoe de rechter voorshands, uitgaande van de meest voor de hand liggende taalkundige betekenis van de bewoordingen van de overeenkomst, is gekomen vatbaar voor tegenbewijs door de gedaagde. Aan diens aanbod tot tegenbewijs mogen in dat geval in beginsel geen bijzondere eisen worden gesteld. 

Achtergrond

Financieringsmaatschappij Wagram heeft haar aandelen in de besloten vennootschap Rostland, thans genaamd Melfin, verkocht aan vermogensbeheerder Melfund. Doel van deze transactie was het behalen van fiscaal voordeel door het verkrijgen en geldend maken van een in Melfin aanwezig potentieel liquidatieverlies. Art. 2 van de koopovereenkomst bepaalde dat de koopprijs van de aandelen zou bestaan uit enerzijds een vast bedrag van NLG 150.000 en anderzijds een variabel percentage van de te verrekenen verliezen (“the losses (…) which are to be offset“). Art. 4 bepaalde dat in een vaststellingsovereenkomst met de Belastingdienst kon worden vastgelegd, welk gedeelte van de verliezen voor verrekening in aanmerking zou komen, mits verkoper Wagram aan die overeenkomst haar goedkeuring zou verlenen. Zonder een dergelijke goedkeuring zou het in de vaststellingsovereenkomst betrokken gedeelte van het liquidatieverlies worden geacht te zijn verrekend, aldus art. 4 (“such part of The Loss will be deemed to be offset“).

Op 28 september 2004 hebben Melfund en Melfin met de Belastingdienst een fiscaal compromis gesloten aangaande (onder meer) de omvang van het verrekenbare liquidatieverlies. Wagram heeft hiervoor desgevraagd geen toestemming verleend. Thans vordert Wagram betaling van € 8.081.986, daartoe stellende dat Melfund door het aangaan van het fiscale compromis is bevoordeeld en aldus de economische waarde van het liquidatieverlies heeft gerealiseerd.

Verrekenbaar liquidatieverlies?

Partijen verschillen van mening over de uitleg van het begrip “The Loss” in art. 2 en 4 van de koopovereenkomst. Volgens Wagram ging het om het verlies dat volgens het door Melfund/Melfin tegenover de Belastingdienst ingenomen standpunt voor verrekening in aanmerking zou moeten komen. Melfund betoogde daarentegen dat gedoeld werd op het verlies dat naar het oordeel van de belastingrechter daadwerkelijk voor verrekening vatbaar was.

In navolging van de rechtbank nam het hof tot uitgangspunt dat de koopovereenkomst moest worden uitgelegd met inachtneming van de Haviltex-maatstaf, met dien verstande dat volgens het hof de aard van de onderhavige transactie, de omvang en gedetailleerdheid van de koopovereenkomst en de wijze van totstandkoming ervan, in nauw overleg tussen de door partijen over en weer ingeschakelde deskundige belastingadviseurs, meebrachten dat beslissend gewicht diende te worden toegekend aan “de meest voor de hand liggende taalkundige betekenis van de daarin gebruikte bewoordingen, gelezen in het licht van de overige, voor de uitleg relevante, bepalingen daarvan”. Uitgaande van deze primair taalkundige maatstaf verkoos het hof de door Wagram bepleite uitleg. Een bewijsaanbod dat Melfund ter zake van de door haar bepleite uitleg had gedaan, werd door het hof als onvoldoende gespecificeerd gepasseerd.

Bewijsaanbod ten onrechte gepasseerd

In cassatie klaagt Melfund onder meer over het passeren door het hof van haar bewijsaanbod. Volgens Melfund heeft het hof miskend dat zij ten aanzien van de uitleg van de overeenkomst had aangeboden tegenbewijs te leveren, zodat specificatie van haar bewijsaanbod (conform vaste rechtspraak van de Hoge Raad) niet was vereist. Deze rechtsklacht treft doel:

“In aanmerking genomen dat de door de rechtbank gehanteerde maatstaf in hoger beroep onbestreden was, dient het in cassatie bestreden oordeel aldus te worden verstaan dat ook het hof als uitgangspunt beslissend gewicht heeft gehecht aan de meest voor de hand liggende taalkundige betekenis van de bewoordingen waarin de artikelen 2 en 4 van de koopovereenkomst zijn gesteld, mede gelet op de aard en strekking van de hier aan de orde zijnde bepalingen van de koopovereenkomst en gelet ook op de context daarvan. In een zodanig geval, waarin de tegen dit oordeel aangevoerde verweren van gedaagde (in dit geval: Melfund) vooralsnog niet inhoudelijk zijn beoordeeld, is de uitleg waartoe de rechter aldus voorshands is gekomen, vatbaar voor tegenbewijs door de gedaagde, in welk geval aan het aanbod tot tegenbewijs in beginsel geen bijzondere eisen mogen worden gesteld (vgl. HR 19 januari 2007, LJN AZ3178, NJ 2007/575).”

De Hoge Raad verwijst ter vergelijking naar het arrest Meyer Europe/PontMeyer uit 2007. In die zaak had Meyer Europe in eerste aanleg, uitvoering gevend aan een bewijsopdracht tot het leveren van tegenbewijs tegen een bepaalde uitleg van de overeenkomst, een aantal getuigen doen horen, waarna zij in appel diezelfde getuigen nogmaals wilde oproepen. Het betreffende bewijsaanbod in appel werd als onvoldoende gespecificeerd gepasseerd. Volgens de Hoge Raad ging het in die zaak om een aanbod tot het leveren van “aanvullend tegenbewijs” en had Meyer Europe dit aanbod nader moeten toelichten, met name door te specificeren dat en waarom zij de betreffende getuigen opnieuw wilde doen horen.

In het onderhavige arrest deed deze bijzonderheid zich niet voor, zodat – conform de hoofdregel – specificatie van het aangeboden tegenbewijs achterwege kon blijven. Na verwijzing moet Melfund alsnog in de gelegenheid worden gesteld het betreffende bewijs te leveren. De Hoge Raad honoreert ook een motiveringsklacht van Melfund ten aanzien van een door haar ingeroepen contractuele garantie (rov. 3.6), zodat ook die kwestie na verwijzing nog moet worden bezien.

Share This