Selecteer een pagina

HR 10 juni 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP9038

Nadat partijen in hoger beroep arrest hadden gevraagd in een incident, heeft het hof ten onrechte meteen ook arrest gewezen in de hoofdzaak. Het hof had partijen in dit geval eerst nog in de gelegenheid moeten stellen om in de hoofdzaak pleidooi te vragen.

In deze zaak was in hoger beroep een incidentele vordering ingesteld op de voet van art. 843a Rv. Nadat beide partijen in het incident hadden geconcludeerd en nog een akte hadden genomen, werd de zaak verwezen naar de rol voor “beraad in incident”. Beide partijen vroegen vervolgens arrest in het incident, waarna de rolraadsheer de zaak verwees voor “dagbepaling arrest”. Het hof wees vervolgens een arrest waarin zowel de incidentele vordering werd afgewezen, als – in de hoofdzaak – het bestreden vonnis van de rechtbank werd bekrachtigd. In cassatie wordt geklaagd dat door deze gang van zaken partijen ten onrechte geen gelegenheid is geboden voor (het vragen van) pleidooi.

De Hoge Raad beoordeelt deze klacht mede op basis van het (in cassatie overgelegde) audiëntieblad, roljournaal en H-formulieren die partijen in hoger beroep hadden ingediend. Aan de hand hiervan komt de Hoge Raad tot het oordeel dat de verwijzing van de zaak voor “dagbepaling arrest” niet anders kan worden uitgelegd dan dat daarmee was bedoeld: dagbepaling arrest in het incident. Door niettemin uitspraak in de hoofdzaak te doen, heeft het hof het voor partijen uit art. 134 Rv jo. art. 353 lid 1 Rv voortvloeiende recht geschonden om zich uit te kunnen laten over de vraag of zij pleidooi wensten.

Let overigens op de laatste formulering: de Hoge Raad spreekt niet over een “recht op pleidooi” van partijen, maar over een “recht om zich uit laten” over de vraag of partijen pleidooi wensen. De formulering sluit op zichzelf aan bij de tekst van het huidige art. 134 lid 1 Rv (op grond van art. 353 Rv ook in hoger beroep van toepassing), maar in eerdere rechtspraak heeft de Hoge Raad steeds onomwonden gesproken van een recht op pleidooi (zie met name: HR 15 maart 1996, NJ 1997, 341), dat slechts in bijzondere omstandigheden kan worden beperkt.

Share This