HR 14 juni 2013, LJN BZ4163 (Auping/Beverslaap)

In het licht van de maatstaven geformuleerd in het arrest De Ronde Venen/Stedin geeft het oordeel van het hof dat sprake moet zijn van een voldoende zwaarwegende grond voor opzegging in dit geval, gelet op de bijzonderheden daarvan, blijk van een onjuiste rechtsopvatting.

Het gaat in deze kort gedingprocedure om de opzegging van een distributieovereenkomst tussen Auping, producent van bedden, matrassen en aanverwante artikelen en een beddenspeciaalzaak in Beverwijk, Beverslaap. Deze overeenkomst was voor onbepaalde tijd aangegaan en partijen hadden geen nadere afspraken gemaakt over de wijze waarop deze duurovereenkomst kon worden beëindigd.

Het kader waarbinnen deze opzegging speelt is een nieuwe distributiestrategie die Auping in 2010 heeft aangenomen. Die strategie voorziet in een inkrimping van het distributienet en een kwalitatieve opwaardering van de resterende verkoopkanalen. In lijn met deze strategie heeft Auping met bijna de helft van haar dealers de relatie beëindigd. De distributieovereenkomst met Beverslaap is bij brief van 21 januari 2011 opgezegd tegen 31 juli 2011.

Net als de voorzieningenrechter had het hof geoordeeld dat er in dit geval, gelet op de bijzonderheden daarvan, sprake moest zijn van een voldoende zwaarwegende grond voor de opzegging. Als bijzonderheden van dit geval noemde het hof (met name) dat Beverslaap en een aan haar gelieerd bedrijf dat via internet bedden verkocht, voor een groot deel afhankelijk waren van de omzet in Auping-producten; “enig gewicht in de schaal” legde ook het feit dat partijen ten tijde van de opzegging al 8,5 jaar zaken met elkaar hadden gedaan, terwijl ook “marginaal meetelde” dat in de daaraan voorafgaande jaren sprake was geweest van een zakenrelatie tussen de winkel en Auping, dan wel tussen de grootaandeelhouder en middellijk bestuurder van Beverslaap.

Volgens het hof kon de overgang naar een ander distributiestelsel een voldoende zwaarwegend belang zijn als hier bedoeld, maar dan moet wel aan een aantal voorwaarden zijn voldaan, waaronder mededingingsrechtelijke. Het hof oordeelde dat Auping de kwantitatieve criteria voor toegang tot haar selectieve distributienet in het geval van Beverslaap niet objectief had toegepast. Een belangenafweging bracht het hof tot het oordeel dat de voorzieningenrechter Auping terecht had veroordeeld om Beverslaap een distributieovereenkomst aan te bieden.

Wie na lezing van het voorgaande uitziet naar een oordeel van de Hoge Raad over (ook) de mededingingsrechtelijke aspecten, wacht teleurstelling. Hier volgt procesrecht.

Omdat Beverslaap eerst bij pleidooi in hoger beroep had gesteld dat zij voldeed aan de kwantitatieve en kwalitatieve selectiecriteria van het selectieve distributiestelsel van Auping en op grond van het mededingingsrecht tot dat stelsel moest worden toegelaten, loopt zij stuk op de regels van het spel. Allereerst op de twee-conclusie-regel van art. 347 Rv. Door te onderzoeken of was voldaan aan de voorwaarden waaronder de overgang naar een ander distributiestelsel een voldoende zwaarwegend belang kan zijn om een bestaande distributieovereenkomst te beëindigen, had het hof volgens de Hoge Raad kennelijk geoordeeld dat Beverslaap de oorspronkelijke grondslag van haar vordering – het ontbreken van een zwaarwegende grond – had verlaten. Ook in kort geding is een wijziging van de (grondslag van de) eis bij pleidooi echter niet meer toelaatbaar, tenzij sprake is van een van de in de rechtspraak aanvaarde uitzonderingen. Daarover had het hof echter niets vastgesteld. Reeds hierom was de wijziging volgens de Hoge Raad ontoelaatbaar. De Hoge Raad laat nog “daar” dat de wijziging ook niet was gedaan bij conclusie of akte ter rolle (art. 130 lid 1 Rv). Ten slotte was het hof buiten de grenzen van de rechtsstrijd van partijen getreden door (mede) op de gewijzigde grondslag het vonnis van de voorzieningenrechter te bekrachtigen. Exit mededingingsrecht.

Advocaat-Generaal Keus staat in zijn conclusie voor dit arrest wel stil bij de mededingingsaspecten (i.h.b. vanaf onderdeel 2.25 van de conclusie). Hij meent – kort samengevat – dat het hof heeft miskend dat de vigerende groepsvrijstelling zoals vervat in de Verordening 330/2010 mede geldt voor verticale overeenkomsten in het kader van een selectief distributiestelsel, mits aan bepaalde voorwaarden is voldaan. Over die voorwaarden had het hof echter (vrijwel) niets vastgesteld, terwijl het hof ten onrechte wel andere voorwaarden had gehanteerd (zoals objectieve vereisten, die niet op willekeurige of discriminerende wijze worden toegepast). In dit kader gaat de A-G ook in op het recente arrest van het Hof van Justitie in de zaak Auto24 (HvJEU 16 juni 2012, nr. C-158/11, LJN BW9991, NJ 2012/543), dat weliswaar handelt over een andere verordening (specifiek voor de automobielbranche), maar ook van betekenis lijkt te zijn voor de toepassing van Vo. 330/2010.

Terug naar het arrest van de Hoge Raad. Nadat het mededingingsrecht op procesrechtelijke gronden is geëcarteerd, komt de Hoge Raad toe aan de eigenlijke hoofdvraag: is voor het opzeggen van een duurovereenkomst, deze duurovereenkomst, een (voldoende) zwaarwegende grond nodig. De Hoge Raad herhaalt zijn overwegingen uit het arrest Gemeente De Ronde Venen/Stedin van 28 oktober 2011 (LJN BQ9854, CB 2011-77), waarin is neergelegd dat duurovereenkomsten als de onderhavige in beginsel opzegbaar zijn, maar dat de redelijkheid en de billijkheid – kort gezegd – kunnen meebrengen dat opzegging slechts mogelijk is als daarvoor een voldoende zwaarwegende grond bestaat. Uit de eisen van redelijkheid en billijkheid kan ook voortvloeien dat een bepaalde opzegtermijn in acht wordt genomen of dat de opzegging gepaard moet gaan met een aanbod tot betaling van een (schade)vergoeding.

Dat, gelet op de – hiervoor genoemde – bijzonderheden, in dit geval een voldoende zwaarwegende grond voor opzegging nodig zou zijn, zoals het hof had gemeend, getuigt volgens de Hoge Raad van een onjuiste rechtsopvatting. De door het hof genoemde omstandigheden brengen “niet zonder meer mee dat een zwaarwegende grond voor de opzegging van de bestaande commerciële relatie aanwezig moet zijn”. Eventueel kunnen die omstandigheden wel meebrengen dat een langere opzegtermijn in acht moet worden genomen of dat een (schade)vergoeding moet worden aangeboden. Volgt vernietiging en verwijzing.

In de literatuur is de lijn die de Hoge Raad in zijn arrest De Ronde Venen/Stedin heeft uitgezet, met instemming begroet. Zie onder meer T.H. Tanja-van den Broek, Gemeente De Ronde Venen/Stedin c.s.: versoepeling van de mogelijkheden tot opzegging van een duurovereenkomst voor onbepaalde tijd?, MvV 2012, nr. 2, p. 18 e.v. en W.L. Valk, Opzegging van duurovereenkomsten na Gemeente/SNU en Stedin, NTBR nr. 5 (mei 2012), p. 176 e.v. Ten opzichte van wat op basis van het arrest Latour/De Bruijn werd aangenomen bieden de in het arrest De Ronde Venen/Stedin gegeven maatstaven meer flexibiliteit. Tanja-Van den Broek constateert dat een reëel belang bij voortzetting van de overeenkomst aan de zijde van de opgezegde partij op zichzelf niet meer voldoende is voor het eisen van een voldoende zwaarwegende grond voor opzegging. Valk meent dat het arrest meer recht doet aan het beginsel van contractsvrijheid. Hij pleit voor een volgende stap: in commerciële verhoudingen zou een opzegging van een voor onbepaalde tijd aangegane duurovereenkomst steeds mogelijk moeten zijn, zij het dat de opzeggende partij schadevergoeding verschuldigd is indien de in acht genomen opzegtermijn niet redelijk is. Zover gaat de Hoge Raad in deze (kort geding)procedure niet. Het arrest biedt wel een eerste indruk van de omstandigheden die volgens de Hoge Raad in ieder geval niet toereikend zijn om een voldoende zwaarwegende grond voor opzegging te eisen in een verhouding tussen twee commerciële partijen.

Auping is in cassatie bijgestaan door Hans van Wijk en de auteur en in de feitelijke instanties door mr. E.J.H. Gielen.

Share This