Selecteer een pagina

HR 17 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:98 (X / Unitco B.V.)

Voor het in hoger beroep handhaven van een faillissement is vereist dat ook ten tijde van de appelprocedure het bestaan van steunvorderingen summierlijk is gebleken. De opvatting dat deze pluraliteit van schuldeisers in een uitgesproken faillissement moet worden aangenomen, tenzij het tegendeel aannemelijk is gemaakt, is dus onjuist. Het (laten) betalen van steunvorderingen in een faillissementssituatie is niet zonder meer ontoelaatbaar en levert geen doorbreking op van de paritas creditorum.

Faillietverklaring en het vereiste van pluraliteit van schuldeisers

Ingevolge art. 6 lid 3 Fw wordt het faillissement van een schuldenaar uitgesproken als summierlijk blijkt dat deze in de toestand verkeert dat hij heeft opgehouden te betalen. Als het verzoek tot faillietverklaring door een schuldeiser wordt gedaan, moet het vorderingsrecht van deze schuldeiser vaststaan. Verder moet, zo volgt uit het stelsel van de Faillissementswet, een dergelijke vordering vergezeld gaan van ten minste een steunvordering van een andere schuldeiser. Zie voor dit vereiste van pluraliteit van schuldeisers: HR 22 maart 1985, NJ 1985, 548 m.nt. G.; HR 22 juli 1988, NJ 1988, 912 en – meer recent – HR 11 juli 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD3705.

Het bestaan van een (of meer) steunvordering(en) moet door de verzoekende schuldeiser aannemelijk worden gemaakt. Hieraan worden niet al te hoge eisen gesteld; de feitenrechter mag uit de omstandigheden waaronder de betaling van een schuld plaatsvond, afleiden dat de schuldenaar meer schuldeisers heeft, om vervolgens daaruit weer af te leiden dat de schuldenaar verkeert in de toestand van hebben opgehouden te betalen.

In hoger beroep moet de appelrechter het vereiste van pluraliteit van schuldeisers ex nunc toetsen (zie bijv. HR 11 juli 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD3705). Dit betekent dat het verzoek om faillietverklaring moet worden beoordeeld op grond van de omstandigheden zoals die in eerste aanleg én in de appelprocedure zijn gebleken. In HR 3 mei 2013, CB 2013-90 bracht dit bijvoorbeeld mee dat het hof een verzoek om heropening niet ongemotiveerd mocht afwijzen.

Procedure in appel

In de onderhavige procedure heeft de schuldenaar hoger beroep ingesteld tegen de faillietverklaring in eerste aanleg. De centrale stelling van de schuldenaar is dat de vereiste pluraliteit van schuldeisers inmiddels niet meer aanwezig is, omdat de steunvorderingen deels door derden volledig zijn betaald en deels zijn kwijtgescholden na gedeeltelijke betaling. Het hof heeft desondanks de faillietverklaring bekrachtigd. Het hof verwierp het betoog van de schuldenaar met de volgende motivering.

“3.5.5. Het bestaan van steunvorderingen blijkt naar het oordeel van het hof uit het verslag van de curator. In een eenmaal uitgesproken faillissement dient bovendien uitgegaan te worden van het bestaan van – mogelijk nog onbekende – schulden, tenzij het tegendeel aannemelijk kan worden gemaakt. In het onderhavige geval gaat het hof uit van het mogelijk bestaan van thans nog onbekende steunvorderingen, nu – anders dan door selectieve betaling van sommige steunvorderingen – het tegendeel onvoldoende aannemelijk is geworden. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat het faillissement pas recentelijk is uitgesproken en er zich nog schuldeisers bij de curator kunnen melden.

3.5.6. [[verzoekster]] stelt dat de steunvorderingen, voor zover erkend, deels volledig zijn betaald en deels gedeeltelijk zijn betaald en voor het overige zijn kwijtgescholden, zodat er geen sprake (meer) is van steunvorderingen.

Het hof kan niet meegaan in deze redenering. Het in een faillissementssituatie betalen van steunvorderingen, al dan niet door derden, terwijl de vordering van de aanvrager van het faillissement onbetaald blijft en/of geen zekerheid is gesteld voor deze vordering, is een doorbreking van de paritas creditorum. Het doorbreken van de paritas creditorum is ontoelaatbaar en een schending van de rechten van de schuldeisers wier vorderingen onbetaald blijven. De handelwijze van [[verzoekster]] is dus niet toelaatbaar. Daar komt nog bij dat [[verzoekster]] weliswaar stelt dat de betalingen zijn verricht door derden en er sprake is van giften, maar deze stelling is in het geheel niet onderbouwd met enig verificatoir bescheid. Het hof kan niet uitsluiten dat [[verzoekster]] leningen is aangegaan ter betaling van steunvorderingen, terwijl een in staat van faillissement verkerende schuldenaar geen zeggenschap meer heeft over het eigen vermogen.

De ontoelaatbare handelwijze van [[verzoekster]] mag niet in haar voordeel strekken.”

Pluraliteit, tenzij tegendeel blijkt?

De schuldenaar stelt cassatieberoep in en bestrijdt ten eerste de opvatting van het hof dat in een eenmaal uitgesproken faillissement moet worden uitgegaan van het bestaan van pluraliteit van schuldeisers, tenzij het tegendeel aannemelijk wordt gemaakt.

De Hoge Raad stelt bij de beoordeling van deze klacht voorop dat voor faillietverklaring vereist is (1) dat de vordering van de verzoekende schuldeiser vaststaat en (2) dat summierlijk van (een) steunvordering(en) is gebleken. Verder moet de rechter in hoger beroep opnieuw, naar de stand van dat moment, beoordelen of aan deze vereisten is voldaan.

“3.3.1 (…) Aldus kan hij komen te staan voor de door hem opnieuw – maar dan naar dat tijdstip – te beantwoorden vraag of wordt voldaan aan het vereiste van pluraliteit van schuldeisers. Hij zal dan in zijn onderzoek moeten betrekken of (alle) door de rechtbank in aanmerking genomen steunvorderingen nog bestaan.”

De Hoge Raad wijst vervolgens in rov. 3.3.2 de door het hof voorgestane opvatting van de hand.

“3.3.2 (…) Voor het in hoger beroep handhaven van een faillissement is – evenals voor het uitspreken van een faillissement – vereist dat het bestaan van steunvorderingen summierlijk is gebleken. Het hof had derhalve naar aanleiding van de stellingen van [verzoekster] moeten onderzoeken of (nog) daadwerkelijk aan dit vereiste was voldaan.”

Betaling van steunvorderingen niet zonder meer onrechtmatig

Een ander aspect dat in cassatie aan de orde is gesteld, betreft het oordeel van het hof dat het (laten) betalen van steunvorderingen in een faillissementssituatie ontoelaatbaar is. Ook deze opvatting is in zijn algemeenheid onjuist, zo oordeelt de Hoge Raad in rov. 3.3.2.

“Het staat derden in beginsel vrij hangende een procedure tot faillietverklaring steunvorderingen te voldoen. Dat levert geen doorbreking op van de paritas creditorum, ook niet indien de vordering van de aanvrager van het faillissement onbetaald blijft of daarvoor geen zekerheid wordt gesteld. De paritas creditorum ziet immers slechts op de gelijke behandeling waarop schuldeisers aanspraak hebben bij de voldoening van hun vorderingen uit (de opbrengst van) de goederen van de schuldenaar (art. 3:277 BW).

Voor zover het hof (in rov. 3.5.6) heeft geoordeeld dat het niet kan uitsluiten dat [verzoekster] met derden leningen is aangegaan om de steunvorderingen te betalen – waarmee het hof kennelijk bedoelt dat die leningen op hun beurt steunvorderingen opleveren – geeft zijn oordeel eveneens blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Overeenkomstig het hiervoor in 3.3.1 overwogene, had het hof immers moeten onderzoeken, voor zover het standpunt van Unitco daartoe aanleiding gaf, of summierlijk van zodanige leningen is gebleken.”

De Hoge Raad vernietigt de beschikking van het hof en overweegt tot slot nog uitdrukkelijk dat na verwijzing een door Unitco gestelde (steun)vordering op Daim Polska aan de orde kan komen. In zijn conclusie besteedde A-G Van Peursum uitvoerig aandacht aan deze vordering. Hij deed dat in het kader van de vraag of de Hoge Raad op grond van het partijdebat over deze vordering de zaak wellicht zelf kon afdoen (art. 421 Rv). Zijn beschouwingen over deze mogelijkheid van afdoening door de Hoge Raad geven een mooi overzicht van dit leerstuk. In dit geval achtte Van Peursum het partijdebat onvoldoende uitgekristalliseerd en de Hoge Raad laat deze beoordeling inderdaad over aan de verwijzingsrechter.

Share This