Https://cassatieblog.nl maakt gebruik van cookies voor webanalyse en social media sharing. Google Analytics analyseert met behulp van cookies hoe de website wordt gebruikt. Daarnaast toont Https://cassatieblog.nl knoppen om informatie te delen op sociale media. Deze knoppen worden enkel weergegeven als u toestemming geeft cookies te plaatsen op uw computer. Meer informatie vindt u in ons Privacyverklaring.
weigeren accepteren

Tweeconclusieregel: geen ondubbelzinnige toestemming wederpartij met nieuw verweer

CB 2018-12 Geplaatst op 09 januari 2018 door

HR 22 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3238

Tot de uitzonderingen op de zogeheten tweeconclusieregel behoort het geval dat de wederpartij ondubbelzinnig erin heeft toegestemd dat het nieuwe verweer alsnog in de rechtsstrijd wordt betrokken. Het hof heeft klaarblijkelijk geoordeeld dat die uitzondering zich in deze zaak niet voordeed.

Op grond van de tweeconclusieregel (ook wel aangeduid als de “in beginsel strakke regel”) dienen appellant en geïntimeerde in hoger beroep hun grieven en verweren in beginsel volledig in de memorie van grieven respectievelijk de memorie van antwoord op te nemen. De mogelijkheid tot het wijzigen of aanvullen van feitelijke en juridische stellingen is daarmee in beginsel beperkt. Volgens vaste rechtspraak zijn op die regel echter uitzonderingen mogelijk, bijvoorbeeld als zich eerst na de memorie van grieven of memorie van antwoord feiten en omstandigheden hebben voorgedaan (“nova”), als sprake is van ondubbelzinnige toestemming van de wederpartij (die ook besloten kan liggen in verklaringen of gedragingen van die partij), of als onverkorte toepassing van de regel in strijd zou komen met de eisen van een goede procesorde.

In de zaak die leidde tot het hier te bespreken arrest had de geïntimeerde tijdens de comparitie in hoger beroep een nieuw (gecorrigeerd) verweer aangevoerd dat een geheel andere koers behelsde dan die hij tot dan toe in de procedure had gevaren. Het hof oordeelde dat deze standpuntwijziging in strijd kwam met de tweeconclusieregel, nu dit verweer uiterlijk bij de memorie van antwoord naar voren had kunnen worden gebracht. In aansluiting daarop meende het hof dat de omstandigheid dat de appellant in zijn pleitnota op het nieuwe verweer had gereageerd geen reden vormde om een uitzondering op de tweeconclusieregel te maken.

Advocaat-generaal Wesseling-van Gent meende (conclusie, § 2.19-2.20) dat het hof met laatstgenoemd oordeel had miskend dat sprake was van ondubbelzinnige toestemming van de zijde van appellant (nu deze bij pleidooi inhoudelijk was ingegaan op het nieuwe verweer en geen bezwaar heeft gemaakt tegen het late tijdstip waarop het werd opgeworpen) en dat daarom een uitzondering op de tweeconclusieregel had moeten worden gemaakt. Zij merkt daarbij op dat van ondubbelzinnige toestemming al sprake is indien inhoudelijk op de nieuwe grief wordt ingegaan zonder bezwaar te maken tegen het tijdstip waarop deze was opgeworpen (HR 15 oktober 1999, ECLI:NL:HR:1999:AD4660).

De Hoge Raad ziet dit anders. Hij geeft eerst beknopt zijn vaste jurisprudentie weer ten aanzien van de tweeconclusieregel (toegespitst op het na de conclusies aanvoeren van een nieuw verweer):

3.3.2 Zoals in HR 9 december 2011, ECLI:NL:HR:2011:BR2045, NJ 2013/7 is beslist, geldt ook voor verweren die door de geïntimeerde worden aangevoerd tegen de vordering van de oorspronkelijke eiser, dat wijziging of uitbreiding daarvan dient plaats te vinden in de eerste conclusie in hoger beroep. Nadat de in art. 347 lid 1 Rv genoemde conclusies zijn genomen, is de mogelijkheid om verweren aan te voeren die niet in het verlengde liggen van de aldus door partijen omlijnde rechtsstrijd in appel beperkt tot de uitzonderingen die zijn genoemd in HR 20 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC4959, NJ 2009/21 en HR 19 juni 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI8771, NJ 2010/154. Daarbij is niet van belang of het verweer kan worden aangemerkt als een nieuwe grief (vgl. HR 8 mei 2015, ECLI:NL:HR:2015:1224, NJ 2016/218).”

De Hoge Raad oordeelt vervolgens dat het hof klaarblijkelijk de omstandigheid dat de appellant in hoger beroep bij pleidooi op het nieuwe verweer had gereageerd – “in de context van een betoog dat het aan appellant te wijten was dat tot dan toe van onjuiste feiten zou zijn uitgegaan” – niet had opgevat als een ondubbelzinnige toestemming dat het nieuwe verweer alsnog in de rechtsstrijd wordt betrokken, waarbij het hof in zijn beoordeling heeft betrokken dat het in strijd met de goede procesorde zou zijn het nieuwe standpunt van geïntimeerde in hoger beroep te onderzoeken. De Hoge Raad acht dit oordeel feitelijk en niet onbegrijpelijk, en laat het arrest van het hof in stand.

email print