HR 5 oktober 2012, LJN BX9298 en BX9301

In de cassatiedagvaarding in deze zaken is ten onrechte vermeld dat in geval van niet tijdige betaling van het griffierecht tegen de verweerder verstek wordt verleend. Deze sanctie is namelijk in cassatie niet van toepassing (art. 407 lid 2 Rv jo. art. 111 lid 2 onder i Rv). De vermelding van deze niet-toepasselijke sanctie vormt echter geen gebrek dat tot nietigheid van de cassatiedagvaarding, dan wel tot weigering van verstekverlening behoort te leiden.

Griffierecht en de Wgbz

De Wet griffierechten burgerlijke zaken (Wgbz) heeft het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering verrijkt met een aantal aanzeggingen over de verschuldigdheid van griffierecht en de gevolgen bij niet (tijdige) betaling daarvan, die de eisende partij in de inleidende dagvaarding moet opnemen. Voor de dagvaarding in eerste aanleg zijn die aanzeggingen neergelegd in art. 111 lid 2 Rv. Zo moet bijvoorbeeld worden vermeld welk bedrag griffierecht bij verschijning van gedaagde in de procedure zal worden geheven en binnen welke termijn dit griffierecht betaald moet worden (art. 111 lid 2 onder k Rv), dat als de gedaagde het griffierecht niet tijdig betaalt ingevolge art. 139 Rv tegen hem verstek zal worden verleend en de rechter de vordering zal toewijzen tenzij deze onrechtmatig of ongegrond voorkomt (art. 111 lid 2 onder i Rv), en dat meerdere gedaagden die bij dezelfde advocaat verschijnen en gelijkluidende processtukken nemen maar één keer griffierecht hoeven te betalen (art. 111 lid onder l Rv).

Eén van de kleine puzzels in de Wgbz is dat deze aanzeggingen voor dagvaardingen in hoger beroep en in cassatie niet op precies dezelfde wijze gelden. Voor appel- en cassatiedagvaardingen is namelijk bepaald (art. 343 Rv, respectievelijk art. 407 lid 2 Rv) dat art. 111 lid 2 onder i Rv – dat is de aanzegging dat bij niet-tijdige betaling van het griffierecht door de gedaagde (c.q. geïntimeerde of verweerder in cassatie) tegen hem verstek zal worden verleend en de rechter de vordering zal toewijzen tenzij deze onrechtmatig of ongegrond voorkomt – niet van toepassing is. In plaats daarvan moeten in de appel- of cassatiedagvaarding “de gevolgen van niet tijdige betaling van het griffierecht” worden vermeld.

Gevolgen niet (tijdig) betalen griffierecht in hoger beroep en cassatie

Maar welke zijn die gevolgen nu precies? Op zichzelf zijn in hoger beroep en cassatie de bepalingen over verstekverlening van overeenkomstige toepassing, tenzij de wet anders bepaalt. Hieruit zou kunnen worden afgeleid dat art. 139 Rv ook in hoger beroep en cassatie geldt, in elk geval voor zover daarin is bepaald dat de rechter bij niet tijdige betaling van het griffierecht verstek verleent (dat de rechter in hoger beroep of cassatie bij verstek niet de vordering zonder meer toewijst is evident, want dat zou in strijd zijn met het systeem van beoordeling van de zaak aan de hand van grieven of cassatiemiddelen).

Maar men kan er ook anders tegenaan kijken: in art. 411 lid 1 Rv is bepaald dat wanneer de verweerder in cassatie het griffierecht niet tijdig voldoet, zijn recht om in cassatie te komen vervalt. Deze bepaling zou ook kunnen worden gelezen als een lex specialis, waarbij wordt afgeweken van art. 139 Rv. In die lezing zou (althans in cassatie) de sanctie op het niet (tijdig) betalen van het griffierecht door de verweerder in cassatie niet zijn dat tegen hem verstek wordt verleend, maar alleen dat “zijn recht om in cassatie te komen” komt te vervallen. Die laatste omschrijving doet dan vervolgens weer de vraag rijzen of daarmee alleen is bedoeld dat de niet-betalende verweerder geen incidenteel cassatieberoep (“in cassatie komen”) mag instellen, of dat hij ook geen verweer tegen het principale cassatieberoep mag voeren. De beantwoording van deze vraag heeft gevolgen voor de aanzegging die in de cassatiedagvaarding moet worden opgenomen, want daarin moeten immers de gevolgen van niet (tijdige) betaling van het griffierecht worden vermeld. Om het helemaal ingewikkeld te maken, ontbreekt overigens in de regeling voor het hoger beroep een met art. 411 lid 1 Rv vergelijkbare bepaling waarin is neergelegd welke gevolgen het niet-betalen van griffierecht in hoger beroep heeft. Voor die gevolgen lijkt dan weer wel te moeten worden teruggevallen op art. 139 Rv, maar dat sluit weer niet aan bij de (hiervoor al genoemde) bepaling in art. 343 dat in de appeldagvaarding juist niet de aanzegging van art. 111 lid 2 onder i moet worden gedaan.

Oordeel Hoge Raad

In de twee hier besproken zaken heeft de Hoge Raad zich uitgesproken over de verstekverlening naar aanleiding van een cassatiedagvaarding waarin de volgende aanzegging opgenomen:

“Dat indien gedaagde, verweerder in cassatie, advocaat stelt maar het hierna te noemen griffierecht niet tijdig betaalt, en de voorgeschreven termijnen en formaliteiten in acht zijn genomen, de rechter verstek tegen verweerder verleent, het door de verweerder in cassatie gevoerde verweer buiten beschouwing blijft en diens recht om in cassatie te komen vervalt.”

De Hoge Raad overweegt eerst dat hiermee in de dagvaarding niet alleen het in art. 411 Rv genoemde gevolg van het niet betalen van het griffierecht is vermeld (het verval van het recht van de verweerder om in cassatie te komen), maar ook twee sancties die in cassatie niet van toepassing zijn. Dat zijn (i) de verlening van verstek, en (ii) het buiten beschouwing laten van het verweer. De Hoge Raad lijkt dus ten eerste ervoor te kiezen om art. 411 lid 1 Rv als een lex specialis te behandelen ten opzichte van art. 139 Rv: het niet (tijdig) betalen van het griffierecht leidt in cassatie niet tot verstek tegen de verweerder. Daarnaast valt op dat de Hoge Raad in art. 411 lid 1 Rv alleen de sanctie lijkt te lezen dat de niet-betalende verweerder geen incidenteel cassatieberoep mag instellen; gewoon verweer voeren mag deze verweerder klaarblijkelijk wel. Dat strookt niet echt met het systeem dat de wetgever met de Wgbz voor ogen heeft gehad, want dat systeem houdt in feite juist in dat een partij die niet (op tijd) het griffierecht betaalt, verder in de procedure geen processtukken meer mag nemen. In de tweede Nota van wijziging bij de Wgbz – waarin de bepalingen over de afwijkende aanzeggingen in de appel- en cassatiedagvaarding aan het wetsvoorstel zijn toegevoegd – wordt bovendien juist als consequentie van het niet-betalen van griffierecht in hoger beroep en cassatie genoemd dat de betrokken partij niet-ontvankelijk is dan wel dat haar verweer buiten beschouwing blijft. In het wetsvoorstel voor de Reparatiewet Wgbz wordt dan ook voorgesteld om deze laatste sanctie uitdrukkelijk in art. 411 lid 1 Rv toe te voegen. De Hoge Raad verwijst in zijn uitspraken hier ook naar, maar meent kennelijk dat op de invoering van de Reparatiewet in dit opzicht niet kan worden vooruit gelopen.

Welke gevolgen heeft dit alles nu voor de cassatiedagvaardingen in deze zaak? Daarover overweegt de Hoge Raad het volgende:

“Gelet op de ratio van het voorschrift van art. 407 lid 2, tweede zin, Rv – namelijk dat de verweerder op de hoogte wordt gesteld van de sanctie die de wet aan de niet tijdige betaling van griffierecht verbindt – vormt de vermelding van niet toepasselijke sancties, naast de vermelding van de wel toepasselijke sanctie, niet een gebrek dat tot nietigheid behoort te leiden. Ook anderszins vormt deze vermelding geen grond het verstek te weigeren.”

De aangezegde “extra” sancties op niet-betaling van het griffierecht zijn dus wel onjuist, maar tot nietigheid of weigering van verstek kan dat niet leiden. Ook op deze vraag zou overigens ook een ander antwoord denkbaar zijn: zo waren een aantal jaren geleden bij verschillende advocaten cassatiedagvaardingen in gebruik waarin als sanctie op het niet verschijnen in cassatie niet alleen de verlening van verstek werd aangezegd, maar ook dat in dat geval de vordering zou worden toegewezen tenzij deze onrechtmatig of ongegrond voorkomt. Ook in dat geval was dus sprake van het aanzeggen van een (evident) niet toepasselijke sanctie, maar in die gevallen heeft de Hoge Raad steeds het uitbrengen van een herstelexploot opgedragen. In de hier besproken twee zaken heeft de Hoge Raad een andere keus gemaakt. Praktisch is die keus in elk geval te noemen: de onjuiste sanctie-aanzegging in de cassatiedagvaarding zal ongetwijfeld niet de reden zijn geweest dat de betrokken verweerders in cassatie verstek hebben laten gaan, zodat met het uitbrengen van een herstelexploot niet echt een redelijk doel zou zijn gediend.

Share This