HR 11 januari 2013, LJN BX9762 (Unidek/HDI International Holding)

In deze procedure is abusievelijk de moedermaatschappij van een verzekeraar gedagvaard in plaats van de verzekeraar zelf. Gezien de uitlatingen van de moedermaatschappij dat zij een inhoudelijk oordeel over de vordering wenst en dat de dochtermaatschappij/ verzekeraar zich zal houden aan dat inhoudelijke oordeel, bestaat ondanks het dagvaarden van de verkeerde partij toch een voldoende belang bij inhoudelijke beoordeling van de vordering. De omstandigheid dat de moedermaatschappij tijdens de procedure door ontbinding en vereffening is opgehouden te bestaan, staat niet in de weg aan voortzetting van de procedure.

Verwikkelingen rondom de partijen in een procedure kunnen een zaak danig laten ontsporen. In deze zaak heeft eiseres tot cassatie Unidek een verklaring voor recht gevorderd dat onder een bepaalde verzekering dekking moet worden verleend. Zij heeft echter haar vordering abusievelijk ingesteld tegen HDI International Holding (hierna: HDI) als gedaagde partij, terwijl in feite een dochtermaatschappij van HDI, Hannover Insurance, de verzekeraar was. Over deze fout hebben partijen in hun processtukken in eerste aanleg het een en ander naar voren gebracht, uitmondend in een verklaring van HDI bij conclusie van dupliek dat zij in deze procedure weliswaar niet zelf kan worden veroordeeld, maar dat als in de procedure zal worden vastgesteld dat Hannover als verzekeraar verplichtingen jegens Unidek heeft, Hannover deze ook zal nakomen.

Gelet op deze verklaring van HDI vond de rechtbank dat partijen voldoende belang hadden bij een inhoudelijke beoordeling van het geschil. Die inhoudelijke beoordeling leidde ertoe dat de rechtbank de vordering van Unidek afwees.

In hoger beroep heeft HDI opnieuw naar voren gebracht dat zij niet de verzekeraar van Unidek is, maar alleen de houdstermaatschappij. Daarnaast heeft HDI aangevoerd dat zij inmiddels was ontbonden en haar vermogen is vereffend. Om beide redenen beriep HDI zich op niet-ontvankelijkheid van Unidek.

Het hof heeft partijen bij pleidooi in hoger beroep de vraag voorgelegd of Hannover op de voet van art. 225 Rv de procedure van HDI zou willen overnemen. Nadat Hannover hiertoe niet bereid bleek, heeft het hof geoordeeld dat Unidek niet-ontvankelijk moet worden verklaard in haar vorderingen. Het hof achtte een inhoudelijke beoordeling van de vordering niet zinvol omdat (a) een uitspraak in de procedure niet executabel zou zijn jegens Hannover, (b) niet aannemelijk is dat van die uitspraak een (inhoudelijk) cassatieberoep mogelijk is, en (c) bovendien is gebleken dat Hannover zich inmiddels jegens Unidek op verjaring beroept.

A-G Wesseling-van Gent was van oordeel dat hiermee de zaak zou moeten stranden op het ontbreken van belang (art. 3:303 BW) van Unidek bij een inhoudelijke beoordeling van haar vordering. De Hoge Raad ziet dat echter anders.

Hij wijst in de eerste plaats op de uitlatingen die HDI in deze procedure heeft gedaan over haar wens om toch een inhoudelijke beoordeling te verkrijgen, waaraan ook haar dochtermaatschappij Hannover zich zal houden. Aan deze verklaring heeft Unidek volgens de Hoge Raad het vertrouwen mogen ontlenen dat HDI en Hannover zich dienovereenkomstig zullen gedragen. Dit brengt ook mee dat Unidek een voldoende belang bij inhoudelijke beoordeling van haar vordering in deze procedure heeft:

“Omdat de verkeerde partij is gedagvaard, kan in dit geding weliswaar geen veroordelend vonnis of arrest worden gewezen, maar gelet op genoemde verklaring van HDI Holding bestaat desondanks een voldoende belang bij een inhoudelijke beoordeling van de vordering. Bovendien heeft Unidek in hoger beroep alsnog de hiervoor in 3.1 onder (vi) weergegeven verklaring voor recht gevorderd die, in verband met genoemde verklaring van HDI Holding, in elk geval voor toewijzing in aanmerking komt.”

Het door het hof in aanmerking genomen beroep dat Hannover inmiddels jegens Unidek op verjaring heeft gedaan maakt dat niet anders:

“Gelet op de (mede) namens haar door HDI Holding afgelegde verklaring, komt Hannover immers geen beroep op verjaring toe op de – kennelijk door het hof bedoelde – grond dat het instellen van de onderhavige procedure jegens Hannover geen stuitende werking heeft.”

Tot slot gaat de Hoge Raad nog in op een kwestie die in het arrest van het hof niet met zoveel woorden aan de orde kwam: de vraag of het voor de vordering van Unidek tegen HDI nog uitmaakt dat HDI tijdens de procedure door ontbinding en vereffening van haar vermogen is opgehouden te bestaan (art. 2:19 lid 6 BW). Ook die vraag beantwoordt de Hoge Raad ontkennend. Art. 2:23c lid 1 BW voorziet namelijk in de mogelijkheid om de vereffening te heropenen als daarna nog een schuldeiser opkomt of van het bestaan van een bate blijkt. In lijn hiermee moet volgens de Hoge Raad worden aangenomen dat als de procedure tegen een rechtspersoon is aangevangen vóór het tijdstip van haar ontbinding en vereffening, de procedure tegen die rechtspersoon kan worden voortgezet, ook in volgende instanties. Dit zal meebrengen dat de uitkomst van de procedure tegen een inmiddels ontbonden en vereffende rechtspersoon, in voorkomend geval zal kunnen leiden tot heropening van de vereffening.

Al met al past deze uitspraak van de Hoge Raad in de tendens van de laatste jaren dat dat fouten in de partij-aanduiding zo min mogelijk tot fatale gevolgen (lees: niet-ontvankelijkheden) moeten leiden. Dat is een geruststellende boodschap voor wie een partijfout maakt, al blijft hier natuurlijk gelden dat voorkomen altijd beter is dan genezen.

Share This