Selecteer een pagina

HR 11 maart 2022, ECLI:NL:HR:2022:347 (Stichting Music#MeToo / Warner Music Benelux B.V)

Wanneer de voorgenomen vordering een collectieve actie is als bedoeld in art. 3:305a BW, kan het verzoek om een voorlopig getuigenverhoor worden afgewezen wegens onvoldoende belang als onvoldoende aannemelijk is dat de verzoeker voldoet aan de vereisten van art. 3:305a BW.

Achtergrond

De rechtbank heeft een verzoek van Stichting Music#MeToo (hierna: SMMT) om een voorlopig getuigenverhoor toegewezen. SMMT wil een procedure tegen Warner Music Benelux B.V. (hierna: Warner) starten. Voordat zij dat doet wil zij echter door middel van het voorlopig getuigenverhoor bewijs verzamelen voor haar stelling dat Warner onrechtmatig handelt door niet op te treden tegen wangedrag van aan haar verbonden artiesten.

In hoger beroep heeft het hof het verzoek alsnog afgewezen, omdat onvoldoende is gebleken dat SMMT voldoet aan verschillende vereisten van art. 3:305a BW. Volgens het per 1 januari 2020 gewijzigde art. 3:305a BW kan een stichting of vereniging een rechtsvordering instellen die strekt tot bescherming van gelijksoortige belangen van andere personen, voor zover zij deze belangen op grond van haar statuten behartigt en deze belangen voldoende zijn gewaarborgd. Deze belangen zijn volgens art. 3:305a lid 2 BW voldoende gewaarborgd als een de rechtspersoon voldoende representatief is, gelet op de achterban en de omvang van de vertegenwoordigde vorderingen. Daarnaast geldt volgens sub a tot en met e van art. 3:305a lid 2 een aantal transparantie en governance vereisten. Wanneer de rechtsvordering wordt ingesteld met een ideëel doel en een zeer beperkt financieel belang of wanneer de aard van de vordering daartoe aanleiding geeft, geldt ingevolge art. 3:305a lid 6 BW een uitzondering op deze transparantie en governance vereisten.

Het hof oordeelt dat (i) niet is gebleken dat SMMT enige feitelijke activiteiten ontplooit ter realisering van haar statutaire doel of (ii) dat SMMT daadwerkelijk beschikt over een achterban die belang heeft bij de beantwoording van de rechtsvraag die SMMT met een collectieve actie aan de rechter wenst voort te leggen. Ook (iii) kan het hof niet nagaan of sprake is van gelijksoortige belangen en wordt niet duidelijk of SMMT voldoet aan de transparantie en governance vereisten van art. 3:305a lid 2 BW. Tot slot is niet gebleken dat de uitzondering van art. 3:305a lid 6 BW van toepassing is. Al met al is daarom onvoldoende gebleken dat SMMT voldoet aan de verschillende vereisten van art. 3:305a BW. Ook is niet gebleken dat SMMT anderszins voldoende eigen belang heeft in de zin van art. 3:303 BW. Nu niet is komen vast te staan dat SMMT een collectief dan wel eigen belang heeft bij het instellen van een procedure tegen Warner, heeft zij volgens het hof geen belang bij het door haar verzochte voorlopige getuigenverhoor.

Beoordeling in cassatie

In cassatie draait het om een tweetal vragen. Allereerst wordt geklaagd dat het hof het verzoek van SMMT ten onrechte aan het per 1 januari 2020  gewijzigde art. 3:305a BW heeft getoetst, nu het verzoek in december 2019 is ingediend.

De Hoge Raad overweegt dat op basis van art. art. 68a en art. 119a leden 1 en 2 Overgangswet nieuw BW art. 3:305a BW van toepassing zoals dat geldt sinds 1 januari 2020, aangezien tot 1 januari 2020 geen hoofdzaak is ingesteld en er geen aanwijzing is dat de hoofdzaak (uitsluitend) betrekking heeft op een gebeurtenis of gebeurtenissen die voor 15 november 2016 hebben plaatsgevonden. Het hof heeft daarom terecht getoetst aan art. 3:305a BW zoals die bepaling luidt sinds 1 januari 2020.

Vervolgens ligt de vraag voor of het hof niet slechts marginaal had moeten toetsten of voldaan was aan de in art. 3:305a BW gestelde voorwaarden. De Hoge Raad overweegt dat het hof terecht tot uitgangspunt heeft genomen dat volgens vaste rechtspraak een verzoek tot het gelasten van een voorlopig getuigenverhoor kan worden afgewezen indien de verzoeker bij toewijzing daarvan onvoldoende belang heeft in de zin van art. 3:303 BW. Dit volgt onder andere uit een uitspraak van de Hoge Raad van 22 december 2017 (CB 2018-1).

Vervolgens overweegt de Hoge Raad:

“3.1.3 SMMT heeft verzocht een voorlopig getuigenverhoor te gelasten omdat zij overweegt een vordering bij de burgerlijke rechter in te stellen. Bij de beoordeling van dat verzoek ligt de toewijsbaarheid van de in het verzoekschrift aangeduide vordering in de hoofdzaak niet ter beoordeling voor. Dat staat er niet aan in de weg dat in een geval als het onderhavige, waarin de voorgenomen vordering een collectieve actie is als bedoeld in art. 3:305a BW, het verzoek wegens onvoldoende belang kan worden afgewezen indien onvoldoende aannemelijk is dat de verzoeker bij het instellen van de beoogde vordering voldoet aan de vereisten van art. 3:305a BW.”

Uit de uitspraak van het hof blijkt dat SMMT op wezenlijke onderdelen niet voldoet aan de vereisten van art. 3:305a BW en dat daarom voldoende belang ontbreekt. Dit oordeel geeft volgens de Hoge Raad geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting. De klachten falen derhalve.

De Hoge Raad verwerpt het beroep. Hij beslist daarmee conform de conclusie van A-G Valk.

Share This