HR 23 maart 2018 ECLI:NL:HR:2018:426

In geschil is of een raamovereenkomst inzake het leveren van een geïntegreerd computersysteem rechtsgeldig door JBZ is beëindigd. Het hof heeft voor recht verklaard dat de overeenkomst rechtsgeldig is ontbonden en de vorderingen uit ongedaanmaking en schadevergoeding toegewezen. In cassatie is onder meer geklaagd over dat het hof heeft miskend dat ongedaanmaking en schadevergoeding alleen toewijsbaar zijn ingeval van ontbinding op grond van tekortkoming in de nakoming en niet zonder meer bij enkele inroeping van een contractuele opzeggingsgrond. Het hof heeft daarbij ten onrechte geen aandacht besteed aan het verweer van Alert dat het artikel in de raamovereenkomst geen ontbindingsgrond, maar een opzeggingsmogelijkheid inhoudt.

Feiten

Deze zaak gaat in hoofdzaak over de vraag of verweerder in cassatie, de Stichting Jeroen Bosch Ziekenhuis (hierna: JBZ), de tussen haar en eisers in cassatie, Alert c.s., gesloten overeenkomsten terecht heeft beëindigd. Op 16 juli 2008 zijn partijen overeengekomen dat Alert c.s. aan JBZ een geïntegreerd computersysteem zal leveren. De afspraken zijn vastgelegd in een raamovereenkomst. JBZ kan als opdrachtgever de overeenkomst schriftelijk opzeggen (met een opzegtermijn van één jaar) en anderszins beëindigen is slechts mogelijk op grond van artikel 23 (ontbinding) of met wederzijds goedvinden. Op 1 januari 2012 moest het project klaar zijn in die zin dat het ziekenhuis ‘papierloos’ moest zijn (artikel 23.8). Vanwege vertraging bereiken partijen op 21 juli 2010 overeenstemming over een nieuwe planning. Dit wordt neergelegd in een Change Proposal document. Op 13 juli 2011 schrijft JBZ uiteindelijk aan Alert c.s. dat dit hun ‘last chance’ is en stelt een aantal voorwaarden voor de continuering van het project. Op 3 oktober 2011 ontbindt JBZ uiteindelijk de overeenkomst. JBZ heeft onder meer gevorderd een verklaring voor recht dat de raamovereenkomst op rechtsgeldige wijze is ontbonden, dan wel opgezegd. De rechtbank heeft voor recht verklaard dat de Raamovereenkomst rechtsgeldig is opgezegd op 3 oktober 2011.

Beslissing hof

Na een eiswijziging zijdens JBZ en een tussenarrest, heeft het hof het vonnis van de rechtbank vernietigd en opnieuw recht gedaan door voor recht te verklaren dat de raamovereenkomst rechtsgeldig is ontbonden. Het hof heeft de vorderingen uit ongedaanmaking en uit schadevergoeding toegewezen. Het hof heeft in zijn tussenarrest geoordeeld dat een redelijke en billijke uitleg van de raamovereenkomst en bijlagen meebrengt dat indien het nieuw overeengekomen tijdpad (bij Change Proposal) niet zou worden nagekomen, terug kon worden gevallen op de oorspronkelijk overeengekomen einddatum van 1 januari 2012. De drie contractueel overeengekomen testrondes moesten op 28 februari 2011 zijn afgerond, dat was een zogenaamde ‘milestone’ en daarmee een fatale termijn. Alert c.s. kwam echter niet (deugdelijk) na op 28 februari 2011 en ten tijde van de buitengerechtelijke ontbinding op 3 oktober 2011 was evident dat de datum 1 januari 2012 niet meer haalbaar was. Daarom was het volgens het hof gerechtigd om te ontbinden.

Cassatie

Er wordt geklaagd over of (i) partijen met de latere overeenkomst hebben bedoeld af te wijken van de overeenkomst en (ii) of een fatale termijn is overeengekomen tussen partijen en (iii) of het hof een beroep van Alert c.s. op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid over het hoofd heeft gezien en (iv) er voor JBZ een ontbindingsbevoegdheid bestond en of Alert c.s. schadevergoeding verschuldigd is. De Hoge Raad behandelt eerst onderdeel 3, daarna onderdeel 4 en mede op basis daarvan kunnen de overige klachten niet tot cassatie leiden.

Beroep op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid

Onderdeel 3 klaagt er onder meer over dat Alert c.s. in appel zich hebben beroepen op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid – in het kader van de ingeroepen deadline van 1 januari 2012 – en dat het hof in strijd met art. 24 Rv niet daarop heeft beslist, althans heeft het hof zonder nadere motivering beslist. De Hoge Raad oordeelt eerst dat in rov. 3.14 van het tussenarrest door het hof een oordeel is gegeven over het beroep op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid, namelijk dat de grief (V, zie ’s hofs tussenarrest 3.6.5) tegen het oordeel van de rechtbank slaagt. Dit oordeel heeft het hof ook voldoende toereikend gemotiveerd, zo oordeelt de Hoge Raad. De Hoge Raad oordeelt dat het hof niet uit is gegaan van de onjuiste maatstaf en het beroep van Alert c.s. op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid voldoende gemotiveerd heeft beoordeeld. De klachten uit onderdeel 3 slagen daarom niet.

Ontbindingsbevoegdheid of opzeggingsbevoegdheid?

Onderdeel 4 van het middel klaagt over de toewijzing van de vorderingen uit ongedaanmaking en schadevergoeding door het hof. Uit artikel 23 volgde onder meer:

Artikel 23. Ontbinding

23.1

Buiten hetgeen elders in deze Overeenkomst of Nadere Overeenkomsten daaromtrent is bepaald, is ieder der partijen gerechtigd:

(…)

1.b) zonder enige aanmaning of ingebrekestelling zal zijn vereist, buiten rechte deze Overeenkomst en/of de Nadere Overeenkomsten door middel van een aangetekend schrijven met onmiddellijke ingang geheel of gedeeltelijk te ontbinden indien:

(…)

– de andere partij anderszins niet langer in staat moet worden geacht de verplichtingen uit deze Overeenkomst en/of de Nadere Overeenkomsten na te kunnen komen.

(…)

23.8

Indien de Leverancier er niet in slaagt om de papierloze status voor alle clusters van Opdrachtgever te realiseren voor 1-1-2012, overeenkomstig de Functionele Specificaties, en/of indien op enig moment aannemelijk wordt dat Leverancier hierin niet tijdig zal slagen, dan kan Opdrachtgever te allen tijde tussentijds de Overeenkomst beëindigen met opgave van reden aan de Leverancier. In dat geval kan Leverancier jegens Opdrachtgever generlei aanspraak maken op kosten- of schadevergoedingen of andere betalingen. (…)”

 

De Hoge Raad oordeelt vervolgens dat enkele subonderdelen van klacht 4 slagen:

3.4.1 De onderdelen 4.3 en 4.8 van het middel zijn gericht tegen het oordeel van het hof (in het tussen- en eindarrest) omtrent de door Alert c.s. verschuldigde schadevergoeding (voor zover gebaseerd op art. 6:277 BW) en de verplichting van Alert c.s. tot ongedaanmaking. Het onderdeel klaagt dat het hof heeft miskend dat ongedaanmaking en schadevergoeding op deze gronden alleen toewijsbaar zijn in geval van ontbinding op grond van tekortkoming in de nakoming en niet (zonder meer) bij (enkele) inroeping van een contractuele opzeggingsgrond. Het hof heeft echter geen aandacht besteed aan het verweer van Alert c.s. dat art. 23.8 van de raamovereenkomst geen ontbindingsgrond maar een opzeggingsmogelijkheid inhoudt, aldus het onderdeel.

 

3.4.2 Deze klachten zijn terecht voorgesteld. Het hof heeft kennelijk geoordeeld dat art. 23.8 van de raamovereenkomst een ontbindingsgrond behelst, zonder het essentiële verweer van Alert c.s. te beoordelen, dat slechts sprake was van een mogelijkheid tot opzegging. Dit verweer kan tot een andere beslissing leiden, mede gezien de omstandigheid dat de slotwoorden van art. 23.8 omtrent aanspraken van Alert c.s. op kosten- of schadevergoeding kunnen zien op een ander geval dan ontbinding wegens tekortkomingen van Alert c.s.

 

De Hoge Raad vernietigt de arresten van het hof Den Bosch en verwijst het geding door naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.

JBZ werd in hoger beroep bijgestaan door Jeroen Langbroek en in cassatie door Martijn Scheltema en Saskia Bouwman.

Share This