Selecteer een pagina

HR 1 oktober 2021 ECLI:NL:HR:2021:1425

In het arrest van de Hoge Raad van 1 oktober 2021, ECLI:NL:HR:2021:1425 was aan de orde of een woningbouwcorporatie toestemming van de Minister op de voet van art. 27 Woningwet nodig heeft voor een besluit van de woningbouwcorporatie tot vervreemding van grond aan een projectontwikkelaar nadat de daarop staande woningen zijn gesloopt (het ging overigens over de Woningwet en onderliggende besluiten zoals die voor 20 december 2016 golden).

Art. 27 lid 1, aanhef en onder a, Woningwet (oud) bepaalde destijds dat naar aanleiding van een verzoek van een woningbouwcorporatie, behoudens in bij of krachtens algemene maatregel van bestuur bepaalde gevallen, aan de goedkeuring van de Minister waren onderworpen de besluiten van het bestuur omtrent het vervreemden van onroerende zaken en hun onroerende en infrastructurele aanhorigheden van deze corporatie, het daarop vestigen van een recht van erfpacht, opstal of vruchtgebruik, en het overdragen van de economische eigendom daarvan. Als een dergelijk besluit werd genomen of uitgevoerd zonder dat de Minister dat had goedgekeurd, was dat besluit nietig op grond van art. 27 lid 4 Woningwet.

De zojuist bedoelde algemene maatregel van bestuur was het Btiv 2015. Art. 24, aanhef en onder e van dat besluit bepaalde dat deze goedkeuring niet was vereist voor zover het betrokken besluit van het bestuur de vervreemding betrof van een andere onroerende zaak dan een woongelegenheid of een gebouw. Uit de nota van toelichting bij het Btiv 2015 en de toelichting op de voorlopers van deze regeling volgde volgens de Hoge Raad dat hierbij onder meer kon worden gedacht aan het vervreemden van grond. Nu het ook in dit geval ging om het vervreemden van grond omdat de woningbouwcorporatie na de sloop van de woningen alleen grond overdroeg, is volgens de Hoge Raad geen goedkeuring van de Minister noodzakelijk. Het hof had daarom met juistheid vastgesteld dat geen goedkeuring nodig was en de daartegen gerichte klachten falen dan ook.

De overige klachten heeft de Hoge Raad met toepassing van art. 81 RO afgedaan.

Share This