Selecteer een pagina

HR 29 januari 2016, ECLI:NL:HR:2016:152

In het licht van het arrest G4/Hanzevast heeft het hof ten onrechte geoordeeld dat het een partij, wier wederpartij een tussen hen gesloten overeenkomst ontbindt op grond van wanprestatie, niet vrijstaat de daartoe strekkende verklaring aldus te splitsen dat de ontbinding wel, doch de wanprestatie niet wordt erkend.

Twee broers hebben tot 1995 gezamenlijk een huis in Zeeland in eigendom. Nadat broer A de volledige eigendom heeft verkregen, krijgt broer B het recht om gedurende een aantal weken per jaar het huis te huren tegen een vastgestelde maximumprijs. Enkele jaren later besluit broer A van het huis zijn hoofdverblijf te maken en het huis voortaan niet meer aan B te verhuren. B meent dat A hiermee toerekenbaar tekortschiet in de nakoming van het huurbeding en stelt A in gebreke. Vervolgens ontbindt hij de huurovereenkomst buitengerechtelijk en vordert hij schadevergoeding. A en B leggen hun geschil voor aan een bindend adviseur, die oordeelt dat B jegens A geen aanspraak kan maken op betaling van schadevergoeding. B wendt zich vervolgens tot de rechter.

Het hof veroordeelt A tot nakoming van het huurbeding, op straffe van een dwangsom. De vordering van B tot betaling van schadevergoeding wordt afgewezen omdat de bindend adviseur zich hierover al had uitgelaten, en er daarom geen plaats meer is voor een oordeel van de burgerlijke rechter. Het hof oordeelt als volgt over de vraag of een einde was gekomen aan de huurovereenkomst door de buitengerechtelijke ontbindingsverklaring (r.o. 2.6) :

“[A] heeft aangevoerd dat een einde is gekomen aan de huurovereenkomst, omdat hij de ontbinding van de overeenkomst door [B] heeft aanvaard, althans omdat de ontbindingsverklaring van [B] moet worden gezien als een voorstel tot beëindiging van de huurovereenkomst, welk voorstel [A] heeft aanvaard. Dit standpunt kan niet worden aanvaard, omdat het een partij, wier wederpartij een tussen hen gesloten overeenkomst ontbindt op grond van wanprestatie, niet vrijstaat de daartoe strekkende verklaring aldus te splitsen dat de ontbinding wel maar de wanprestatie niet wordt erkend. Aangezien [A] heeft bestreden dat van wanprestatie sprake is en de rechter dat standpunt heeft aanvaard, kan hij zich niet op het standpunt stellen dat de ontbindingsverklaring desalniettemin effect heeft gehad.”

In cassatie klaagt A onder meer dat het hof met deze overweging miskent dat de enkele bestrijding van de wanprestatie die ten grondslag ligt aan een ontbindingsverklaring, niet zonder meer met zich brengt dat geen beroep kan worden gedaan op de beëindiging van de overeenkomst. De Hoge Raad overweegt onder verwijzing naar het arrest G4/Hanzevast (HR 8 juli 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ1684, CB 2011-39) dat indien een wederpartij de gerechtvaardigdheid van de ontbindingsverklaring bestrijdt, zij daarmee in beginsel ook het met die verklaring beoogde rechtsgevolg bestrijdt. Als de rechter vervolgens beslist dat de ontbindingsverklaring niet gerechtvaardigd was, dan staat daarmee in beginsel vast dat de overeenkomst partijen nog steeds bindt. De Hoge Raad herhaalt de drie in voornoemd arrest genoemde gevallen waarin dit anders is:

(1) Partijen kunnen zich naar aanleiding van een niet-gerechtvaardigde ontbindingsverklaring zodanig tegenover elkaar gedragen dat daarin een nadere, tot beëindiging van de overeenkomst strekkende, beëindigingsovereenkomst ligt besloten.

(2) Het beroep op het voortbestaan van de overeenkomst kan afstuiten op art. 6:248 lid 2 BW (onaanvaardbaarheid naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid van een als gevolg van een overeenkomst tussen partijen geldende regel).

(3) De wederpartij kan bestrijden dat de ontbindingsverklaring gerechtvaardigd was, maar zich erbij neerleggen dat degene die de ongerechtvaardigde ontbindingsverklaring heeft uitgebracht de overeenkomst niet meer uitvoert. De wederpartij zal dan ook van haar zijde de overeenkomst niet (verder) uitvoeren.

In het licht van de jurisprudentie van de Hoge Raad gaat de hiervóór geciteerde overweging van het hof over de stellingname van A dan ook niet op:

“3.5.3 Naar het hof in rov. 2.6 heeft overwogen, heeft [A] aangevoerd dat aan de huurovereenkomst een einde is gekomen omdat [B] de overeenkomst heeft ontbonden en deze ontbinding door [A] is aanvaard, althans dat de ontbindingsverklaring van [B] moet worden gezien als een voorstel tot beëindiging van de huurovereenkomst dat door [A] is aanvaard. Door vervolgens te overwegen dat dit standpunt niet kan worden aanvaard omdat het een partij, wier wederpartij een tussen hen gesloten overeenkomst ontbindt op grond van wanprestatie, niet vrijstaat de daartoe strekkende verklaring aldus te splitsen dat de ontbinding wel doch de wanprestatie niet wordt erkend, heeft het hof het hiervoor in 3.5.2 overwogene miskend.”

In zijn conclusie vóór dit arrest komt de A-G Vlas tot een ander oordeel. Hij meent dat in de overweging van het hof besloten lag dat het had getoetst of in het onderhavige geval sprake was van een van de door de Hoge Raad genoemde uitzonderingssituaties, en heeft geoordeeld dat dit niet het geval is. Omdat dit oordeel van feitelijke aard is en in cassatie niet op juistheid kan worden getoetst, adviseert de A-G vervolgens om het cassatieberoep af te doen met toepassing van art. 81 lid 1 RO. De Hoge Raad casseert echter, waarbij ook de overige cassatieklachten van A slagen (die kort gezegd betrekking hebben op de door het hof gegeven motivering), en verwijst het geding naar het gerechtshof Amsterdam ter verdere behandeling en beslissing.

Share This