Https://cassatieblog.nl maakt gebruik van cookies voor webanalyse en social media sharing. Google Analytics analyseert met behulp van cookies hoe de website wordt gebruikt. Daarnaast toont Https://cassatieblog.nl knoppen om informatie te delen op sociale media. Deze knoppen worden enkel weergegeven als u toestemming geeft cookies te plaatsen op uw computer. Meer informatie vindt u in onze Privacyverklaring.
weigeren accepteren

Het einde van samenhangende overeenkomsten

CB 2018-146 Geplaatst op 20 september 2018 door

HR 14 september 2018 ECLI:NL:HR:2018:1672 (en samenhang met HR 14 september 2018 ECLI:NL:HR:2018:1418)

In het scenario dat één van twee samenhangende overeenkomsten tot een einde is gekomen, kan niet met de enkele verwijzing naar de samenhang tussen de overeenkomsten worden geoordeeld dat de andere overeenkomst ook tot een einde is gekomen.  

Achtergrond

Deze procedure draait om een geschil tussen eiseres en de Tsjechische toeleverancier Bast. Eiseres is tussenpersoon in een contractuele relatie tussen VelopA (opdrachtgever/afnemer) en Bast. Bast produceert metalen fietsenrekken en leverde deze aan eiseres. Eiseres leverde de fietsenrekken aan Velopa en Velopa leverde deze aan, onder andere, de Nederlandse Spoorwegen. In een overeenkomst tussen eiseres en Bast (van 1997 en 1999) is een exclusiviteitsbeding opgenomen. Het is Bast niet toegestaan rechtstreeks aan de klanten van eiseres te leveren. Tussen VelopA en eiseres is een afnameovereenkomst, genaamd:  “raamovereenkomst NS”, gesloten. In 2005 heeft VelopA zich tegenover eiseres op het standpunt gesteld dat zij geen afnameverplichting had op grond van het raamcontract NS en dat zij rechtstreeks bij Bast mocht bestellen. Dit standpunt was ook bij Bast bekend. Eiseres heeft Bast toen gewezen op het exclusiviteitsbeding. Bast heeft op 12 mei 2005 rechtstreeks geleverd aan VelopA (maar de vervoerder heeft toen per vergissing geleverd bij eiseres).

Het einde van de overeenkomst

VelopA heeft geen fietshekken meer besteld bij eiseres met als gevolg dat eiseres geen bestellingen meer had te plaatsen bij Bast. Andere opdrachtgevers waren er niet. Bij brief heeft eiseres aan VelopA meegedeeld dat het lijkt alsof de samenwerking feitelijk beëindigd is. VelopA heeft vervolgens geconstateerd dat de overeenkomst is beëindigd. Tussen eiseres en VelopA zijn toen diverse procedures gevoerd over onder meer de beëindiging van de handelsrelatie (zaak 17/03120). Het hof Arnhem-Leeuwarden (niet gepubliceerd) heeft in die zaak geoordeeld dat VelopA wel een afnameverplichting had en dat zij door de afname in 2005 te staken deze verplichting heeft geschonden.  De Hoge Raad heeft het tegen dat arrest gerichte cassatieberoep van VelopA verworpen (HR 14 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1418).

Eiseres vordert in deze procedure – en voor zover in cassatie nog van belang – veroordeling van Bast tot vergoeding van schade en afdracht van winst. Zij heeft daaraan een beroep op wanprestatie en onrechtmatige daad ten grondslag gelegd. Het hof is tot het oordeel gekomen dat de overeenkomst tussen eiseres en Bast óók tot een einde was gekomen, nu het einde van de overeenkomst tussen eiseres en VelopA ook was ingetreden. In cassatie gaat het, voornamelijk, om de vraag of dat oordeel terecht was.

Het hof had hier voor zover van belang als volgt geoordeeld:  

“[Bast] heeft terecht aangevoerd dat de overeenkomst tussen Velopa en [eiseres] (Raamcontract NS) enerzijds en de overeenkomsten tussen [eiseres] en [Bast] anderzijds nauw met elkaar samenhangen en dat de beëindiging van het contract tussen Velopa en [eiseres] tevens het einde meebrengt van de overeenkomsten tussen [eiseres] en [Bast]” (zie rov. 10).

Dit oordeel houdt in cassatie geen stand. In het (principaal) cassatieberoep werd (onder meer) aangevoerd dat de motivering die het hof aan dit oordeel heeft gegeven onvoldoende is; die klacht slaagt:

4.1.3               De onderdelen klagen evenwel terecht over de motivering van het oordeel van het hof dat door het niet langer uitvoeren van de overeenkomst tussen [eiseres] en VelopA een einde is gekomen aan de overeenkomsten tussen [eiseres] en Bast. De enkele verwijzing naar de samenhang tussen deze overeenkomsten is, zonder nadere motivering, onvoldoende om dat oordeel te kunnen dragen (vgl. HR 11 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1627, NJ 2015/2 (Eneco/Ronde van Nederland) rov. 3.5.3). Het oordeel van het hof dat de overeenkomsten tussen [eiseres] en Bast tot een einde zijn gekomen kan daarom niet in stand blijven. Dat betekent dat ook het betoog van [eiseres] dat het exclusiviteitsbeding in de overeenkomsten tussen [eiseres] en Bast juist mede was gemaakt voor het geval de overeenkomst tussen [eiseres] en VelopA zou eindigen (onder meer memorie van grieven, nr. 10-18) opnieuw moet worden onderzocht.

De overige onderdelen behoeven geen behandeling, gelet op dit oordeel van de Hoge Raad. Volgt vernietiging en verwijzing.

Samenloop

Nog enkele woorden over de samenloop tussen de procedures. Het Hof Arnhem-Leeuwarden oordeelde in de met de hier besproken samenhangende zaak dat de samenwerking tussen eiseres en VelopA niet was beëindigd. De rechtbank had in de onderhavige procedure geoordeeld dat de “samenwerking in ieder geval feitelijk was beëindigd”. De rechtbank vond het daarom niet nodig haar oordeel aan te passen aan het Arnhemse arrest. De omstandigheid dat de samenwerking tussen [eiseres] en VelopA achteraf bezien in juli 2005 niet is beëindigd, doet immers niet af aan het oordeel van de rechtbank dat Bast zulks destijds wel mocht aannemen, mede in het licht van de door VelopA ingenomen positie.

Het Haagse hof overwoog ook dat de Arnhemse beslissing niet aan zijn oordeel afdeed. Dat vond de A-G Drijber minder voor de hand liggen (par. 3.3 van zijn conclusie). Het hof heeft immers vooropgesteld dat de overeenkomsten met elkaar samenhangen en dat de beëindiging van de ene overeenkomst ook het einde meebrengt van de andere overeenkomst. Juist daarom had het arrest van het Hof Arnhem het Haagse hof wèl tot een andere beslissing moeten brengen. Deze gevolgtrekking brengt de A-G dan ook tot de conclusie dat het hof waarschijnlijk het einde van de overeenkomst op de ontstane feitelijke situatie heeft gegrond, en niet op het einde van de overeenkomst tussen eiseres en VelopA. Uit ’s hofs overwegingen blijkt, volgens de A-G, echter niet waarom uit de feitelijke situatie volgt dat de overeenkomsten tussen eiseres en Bast tot een einde zijn gekomen. En daarom moet na verwijzing opnieuw worden geoordeeld over het al dan niet eindigen van deze overeenkomst, alvorens een oordeel kan worden gegeven over de andere kwesties. Kennelijk is de Hoge Raad het daar mee eens.

email print