Https://cassatieblog.nl maakt gebruik van cookies voor webanalyse en social media sharing. Google Analytics analyseert met behulp van cookies hoe de website wordt gebruikt. Daarnaast toont Https://cassatieblog.nl knoppen om informatie te delen op sociale media. Deze knoppen worden enkel weergegeven als u toestemming geeft cookies te plaatsen op uw computer. Meer informatie vindt u in ons privacy statement.
weigeren accepteren

Niet de vordering zelf, maar het feitencomplex ten grondslag aan de vordering, is bepalend voor toepassing van de verjaringstermijn van artikel 7:23 lid 2 BW

CB 2018-17 Geplaatst op 11 januari 2018 door

HR 17 november 2017 ECLI:NL:HR:2017:2902, (MBS / verweerders)

De verjaringstermijn van art. 7:23 lid 2 BW is ook van toepassing op een vordering gebaseerd op bedrog waaraan feiten ten grondslag liggen die ook een vordering uit non-conformiteit zouden kunnen dragen. De verjaringstermijn is slechts dan niet van toepassing indien de vordering wegens bedrog is onderbouwd met feiten die zelfstandig, dus los van de feiten die de non-conformiteitsvordering kunnen dragen, bedrog opleveren.

Klachtplicht en verjaring

Art. 7:17 BW bepaalt dat in geval van koop de afgeleverde zaak aan de overeenkomst moet beantwoorden. Is dat niet het geval dan is sprake van non-conformiteit en staat een aantal rechtsmiddelen ter beschikking aan de koper. De koper dient ingevolge art. 7:23 lid 1 BW binnen bekwame tijd bij de verkoper te klagen over de non-conformiteit zodra deze is ontdekt door de koper (de klachtplicht). Doet de koper dat niet tijdig dan kan hij zich niet langer op non-conformiteit beroepen. Art. 7:23 lid 2 BW bepaalt dat rechtsvorderingen en verweren, gegrond op feiten die de stelling zouden rechtvaardigen dat de afgeleverde zaak niet aan de overeenkomst beantwoordt, verjaren door verloop van twee jaren na de overeenkomstig het eerste lid gedane kennisgeving. Deze verjaringstermijn voor conformiteitsvorderingen is dus aanzienlijk korter dan de voor de meeste remedies geldende vijfjaarstermijn.

Achtergrond

In deze zaak vordert de koper van aandelen in een BV van de verkopers op grond van onrechtmatige daad vergoeding van schade omdat de koopovereenkomst tot stand zou zijn gekomen door (onder meer) bedrog aan de zijde van de verkopers. Het bedrog bestond volgens MBS eruit dat de verkopers  opzettelijk onjuiste informatie hadden verstrekt en belangrijke informatie over de onderneming hadden verzwegen om de (toenmalige) koper ertoe te bewegen de koopovereenkomst te sluiten.

Tussen partijen staat vast dat de vordering verjaard is indien artikel 7:23 lid 2 BW van toepassing is. Het geding spitst zich daarom in appel toe op de vraag of dit artikel ook van toepassing is wanneer de vordering uit schadevergoeding is gegrond op bedrog. Na een uitvoerige bespreking van de parlementaire geschiedenis beantwoordt het hof deze vraag bevestigend:

“4.8 (…) Met de gemaakte keuze voor een zeer ruim geformuleerd artikel 7:23 lid 2 BW heeft de wetgever ervoor willen zorgen dat een bepaald feitencomplex dat door een koper ten grondslag kan worden gelegd aan de stelling dat het geleverde non-conform is, ongeacht de insteek van diens vordering, onder een eenvoudig verjaringsregime valt.”

In cassatie klaagt MBS allereerst over het oordeel van het hof dat een (onrechtmatige daads)vordering uit hoofde van bedrog onder het verjaringsregime van artikel 7:23 lid 2 BW valt. In aansluiting daarop klaagt zij dat het oordeel van het hof dat elke vordering op grond van bedrog onder de werking van artikel 7:23 lid 2 BW valt indien delen van die feiten ook hadden kunnen dienen als grondslag voor een vordering uit non-conformiteit blijkt geeft van een onjuiste rechtsopvatting.

Feitencomplex beslissend

De Hoge Raad schetst eerst het relevante kader (3.3.2). Eerder werd al geoordeeld dat het verjaringsregime uit artikel 7:23 lid 2 BW geldt voor iedere vordering van de koper die feitelijk gegrond is op non-conformiteit, ook indien de koper op dezelfde grondslag een vordering uit onrechtmatige daad of dwaling instelt (t.a.v. onrechtmatige daad ECLI:NL:HR:2006:AW2582, Inno Holding/Sluis en ECLI:NL:HR:2007:BB3733, Ploum/Smeets en t.a.v. dwaling ECLI:NL:HR:2007:AZ7617, Pouw/Visser). Vervolgens komt de Hoge Raad tot de slotsom dat de verjaringstermijn van artikel 7:23 lid 2 BW ook van toepassing is op een vordering gebaseerd op bedrog waaraan feiten ten grondslag liggen die een beroep op non-conformiteit zouden rechtvaardigen:

“3.3. (…)Art. 7:23 leden 1-3 BW houden voor het begin van de verjaringstermijn uitdrukkelijk rekening met het geval dat de verkoper opzettelijk een onjuiste indruk over de eigenschappen van de zaak heeft gewekt. Gelet hierop, en mede in het licht van de parlementaire geschiedenis van art. 7:23 BW, weergegeven in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 3.10-3.19, is de verjaringstermijn van art. 7:23 lid 2 BW ook van toepassing op een vordering gebaseerd op bedrog waaraan feiten ten grondslag liggen die de stelling zouden rechtvaardigen dat de afgeleverde zaak niet aan de overeenkomst beantwoordt. De verjaringstermijn van art. 7:23 lid 2 BW is slechts niet van toepassing op een vordering wegens bedrog voor zover deze is onderbouwd met feiten die zelfstandig, dat wil zeggen los van de feiten die de toewijzing van een non-conformiteitsvordering kunnen dragen, bedrog opleveren. De onderdelen, die uitgaan van een andere rechtsopvatting, falen daarom.”

Indien een gedeelte van het feiten, los van de feiten omtrent non-conformiteit, zelfstandig kan leiden tot een op bedrog gegronde onrechtmatigedaadsvordering, dan geldt het verjaringsregime uit artikel 7:23 lid 2 BW niet en dient men rekening te houden met de algemene verjaringstermijn uit artikel 3:310 lid 1 BW. Niet de vordering zelf, maar het feitencomplex dat ten grondslag ligt aan de vordering, is dus bepalend voor de vraag welke verjaringstermijn van toepassing is.

Verweerders in cassatie zijn in cassatie bijgestaan door Gijsbrecht Nieuwland, en in feitelijke instanties door Hugo Bijleveld van Pact Advocaten.

email print