HR 24 februari 2017 ECLI:NL:HR:2017:313

De stelplicht en bewijslast van de door verweerders betwiste stelling dat de tekortkoming in de nakoming van de toezeggingen niet toerekenbaar is, rustten op SNR. Nu SNR zich in dit verband beriep op de onduidelijkheid van de wetgeving in en voorafgaande aan september 2004, diende het hof na te gaan of van die onduidelijkheid sprake was, waarbij het in beginsel diende te letten op alle relevante parlementaire stukken.

Schouten en Nelissen Recovery (SNR), eiseres tot cassatie, bood in 2002 en 2003 de deeltijdopleiding “Stressmanagement & Reïntegratiedeskundige” aan. Verweerders in cassatie zijn in die jaren met deze opleiding begonnen. Hiertoe hebben zij met SNR (onderwijs)overeenkomsten gesloten. Bij de rechtbank draaide het geschil om de vraag of aan verweerders was toegezegd dat zij onderwijs op universitair niveau zouden ontvangen, in hoger beroep draaide het om de vraag welke titel verweerders was toegezegd bij een succesvolle afronding van deze (hbo-)opleiding. Was dat een MA (Master of Arts) of was dat een mastertitel met daaraan toegevoegd een afkorting die de aard van de studie weergaf (in dit geval: MSR)?

Achtergrond van dit geschil is de invoering van de bachelor-masterstructuur in Nederland per 1 september 2002 door wijziging van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (WHW). Na die wetswijziging mag op grond van art. 7.10a WHW de graad “Master of Arts” alleen nog verleend worden aan degenen die met goed gevolg een universitaire masteropleiding hebben gevolgd. Bij wet van 23 september 2004 (Stb. 2005, 32) is in art. 7.19a WHW onder meer opgenomen dat de graad “Master of Arts” wordt aangeduid/afgekort als MA en de graad “Master of Science” als MSc.

Het ging onder meer om de vraag wat SNR heeft toegezegd en hoe verweerders dat hebben mogen begrijpen. Het hof was tot de conclusie gekomen dat SNR door het niet verlenen (althans door het eerst verlenen en daarna intrekken) van de MA-graad was tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomsten met verweerders. SNR had onder meer betoogd dat de tekortkoming haar niet viel te verwijten, althans niet voor haar risico komt vanwege – kort gezegd – onduidelijkheid over de relevante wetgeving in die periode. Stelplicht en bewijslast terzake het ontbreken van de toerekenbaarheid rustten volgens het hof op SNR. Onzekerheid over de te verlenen graad had SNR er volgens het hof juist van moeten weerhouden toezeggingen aan verweerders te doen.

De Hoge Raad laat dit oordeel in stand. Hij overweegt dat in het oordeel van het hof besloten ligt dat als SNR zich van de consequenties van de (naderende) wetgeving had vergewist, zij niet anders had kunnen concluderen dan dat zij niet bevoegd was de MA-titel te verstrekken. Dat het hof in dat kader mede heeft verwezen naar een (voorbereidende) notitie van de Minister van OCW die in november 2000 naar het parlement was gezonden, en waarop volgens het middel geen van beide partijen een beroep had gedaan, betekent volgens de Hoge Raad niet dat het hof buiten de rechtsstrijd is gereden en is niet in strijd met art. 149 Rv. Nu SNR zich beriep op onduidelijke wetgeving in en voorafgaande aan september 2004, diende het hof na te gaan of van die onduidelijkheid sprake was, waarbij het in beginsel diende te letten op alle parlementaire stukken, ook de notitie.

Advocaat-Generaal Keus (A-G) meende in zijn conclusie voor dit arrest dat het hof deze notitie niet zonder meer in zijn oordeel had mogen betrekken (2.26). De A-G meende overigens dat aan verweerders geen harde en juridisch bindende toezeggingen waren gedaan (onderdeel 2.45 e.v.). Over dat laatste oordeelt de Hoge Raad dat het hof niet is uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting en dat het oordeel zozeer verweven is met waarderingen van feitelijke aard, dat het voor het overige in cassatie niet op juistheid kan worden onderzocht en dat het ook niet onbegrijpelijk is.

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Share This