HR 23 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1142

De Hoge Raad laat het oordeel van het hof waarin een redelijke prijs is bepaald voor verrichte werkzaamheden in stand. De Hoge Raad laat zich daarbij uit over de eisen die in dit geval aan de inzichtelijkheid van het deskundigenbericht konden worden gesteld en over strijdigheid met een goede procesorde doordat eiser in zekere zin terugkwam op zijn instemming met de vraagstelling van het deskundigenbericht.

Dit arrest van de Hoge Raad is erg toegespitst op de uitleg van de gedingstukken in dit specifieke geval en lijkt daarom slechts in beperkte mate relevant voor andere gevallen. Omdat het arrest contrair is aan de conclusie van A-G Wesseling-van Gent, volgt hier een korte bespreking.

Eiser tot cassatie is eigenaar van het zeiljacht ‘Akka’. In 1999 heeft de eigenaar contact opgenomen met West Friese Jachtbouw (WFJ) om werkzaamheden aan het jacht te verrichten. Na een ruwe inschatting van tijd en kosten ging WFJ in 2000 van start met de werkzaamheden. Twee facturen voor de werkzaamheden zijn in augustus 2001 voldaan. Nadat de bestuurder van WFJ had gemaild dat nog een bedrag van DM 305.000,– openstond, is de eigenaar tijdens een proefvaart met het jacht naar Duitsland weggevaren. De eigenaar weigerde verdere betalingen te doen. In 2003 is WFJ failliet verklaard. De bestuurder heeft de vordering op de eigenaar overgenomen van de curator.

De bestuurder vorderde in deze zaak betaling van het openstaande bedrag voor werkzaamheden aan het jacht. De eigenaar had gesteld dat met de kosteninschatting een vaste prijs was overeengekomen; de bestuurder stelde dat op urenbasis zou worden afgerekend. Het hof oordeelde dat beide stellingen niet waren komen vast te staan. Het hof had daarom in een eerder tussenarrest een deskundigenbericht gelast, met als hoofdvraag wat een redelijke prijs was voor de werkzaamheden aan de Akka (waarbij de werkzaamheden die moeten worden aangemerkt als herstel van eerdere fouten door WFJ buiten beschouwing dienden te blijven). De deskundige heeft daarop een schatting gemaakt van een redelijke prijs, die ongeveer 30% onder de gefactureerde prijs lag, maar hoger lag dan de kosteninschatting. De eigenaar heeft na dit deskundigenbericht gesteld dat met de kosteninschatting een verwachting was gewekt over de prijs waarmee hij rekening moest houden. Het hof wees erop dat partijen hebben ingestemd met de vraagstelling voor het deskundigenbericht, en oordeelt daarom dat het in strijd is met de goede procesorde om terug te komen op die vraagstelling.

A-G Wesseling-van Gent wijst erop (onder 2.10) dat zowel op grond van het nieuwe als het oude recht (resp. art. 7:752 lid 1 BW en de artt. 7A:1639 e.v. BW (oud)), gewekte verwachtingen een rol spelen bij het bepalen van de prijs die een aannemer redelijkerwijs in rekening kon brengen. Zij concludeert dat het hof niet is ingegaan op dit argument van de eigenaar en dat dit een juridische beoordeling van het hof vergt in plaats van een vraag die door de deskundige wordt beantwoord. De Hoge Raad oordeelt daarentegen dat het hof in zijn eerdere tussenarrest met het oordeel dat geen vaste prijs was overeengekomen een oordeel heeft gegeven over de verwachtingen die aan de kosteninschatting konden worden ontleend. Daarom kon het hof daarna tot het oordeel komen dat het in strijd was met de eisen van een goede procesorde om de door deze kosteninschatting gestelde gewekte verwachtingen opnieuw in de procedure te betrekken.

Onderdeel 2 klaagde in cassatie onder meer dat het hof niet is ingegaan op de opmerkingen over de beperkte controleerbaarheid en inzichtelijkheid van het deskundigenbericht. De A-G concludeert dat de deskundige inzichtelijk had kunnen maken van welke werkzaamheden hij bij zijn schatting is uitgegaan en hoeveel arbeidsuren aan deze werkzaamheden moeten worden toegerekend. De Hoge Raad neemt echter de omstandigheden van het geval in aanmerking: de werkzaamheden hebben al in 2000-2001 plaatsgevonden; sindsdien zijn er andere werkzaamheden aan de boot verricht en is de boot vele jaren intensief gebruikt en toe aan nieuw onderhoud. Deze klacht leidt daarom niet tot cassatie. De Hoge Raad oordeelt dat de klacht ook niet aanvoert in welk opzicht onder deze omstandigheden een verdergaande specificatie van de werkuren kon worden gevergd dan de gehanteerde onderverdeling in vijf rubrieken.

Share This