HR 20 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:2043 (Brinky Bouw en Ontwikkeling B.V./Hazeleger Transporten B.V.)

Indien de verjaring van art. 32 lid 1 CMR door een schriftelijke vordering in de zin van art. 32 lid 2 CMR is geschorst en deze schorsing vervolgens op de voet van art. 32 lid 2 CMR is opgeheven, kan een schriftelijke aanmaning of mededeling op de voet van art. 3:317 BW, die betrekking heeft op hetzelfde onderwerp als de eerdere schriftelijke vordering, niet ertoe leiden dat de verjaring opnieuw wordt geschorst of alsnog wordt gestuit. De schriftelijke aanmaning of mededeling in de zin van art. 3:317 BW moet in dit verband worden aangemerkt als een vordering als bedoeld in art. 32 lid 2 CMR. Stuiting van de verjaring door het instellen van een vordering in rechte (art. 3:316 BW) of door erkenning (art. 3:318 BW) is in een dergelijk geval wel mogelijk.

De feiten

Het gaat in deze zaak om het vervoer van een lading eendagskuikens van Denemarken naar Rusland. Op de vervoersovereenkomst zijn de bepalingen van het CMR-verdrag van toepassing. Tijdens het vervoer ontstaat een defect aan de vrachtauto, als gevolg waarvan een groot deel van de kuikens komt te overlijden. Eiseres tot cassatie (hierna: Brinky) spreekt, in opdracht van de Russische ontvanger van de lading, de vervoerder (hierna: Hazeleger; verweerster in cassatie) aan tot vergoeding van de schade.

Deze aansprakelijkstelling vindt in eerste instantie plaats bij brief van 2 januari 2006 (drie dagen na het ontstaan van de schade). Bij brief van 30 juni 2006 wijst Hazeleger iedere aansprakelijkheid af, waarna Brinky op 5 december 2007 een dagvaarding tegen Hazeleger laat uitbrengen.

Verjaring vordering ex art. 32 CMR?

In de procedure doet Hazeleger een beroep op verjaring. Art. 32 lid 1 CMR kent voor rechtsvorderingen tegen de vervoerder een verjaringstermijn van één jaar (behoudens opzet of grove schuld van de vervoerder, maar dat is in deze zaak niet aan de orde). Voor schorsing en/of stuiting van de verjaring is in art. 32 lid 2 en 3 CMR het volgende bepaald:

“2. Een schriftelijke vordering schorst de verjaring tot aan de dag, waarop de vervoerder de vordering schriftelijk afwijst en de daarbij gevoegde stukken terugzendt. In geval van gedeeltelijke aanvaarding van de vordering hervat de verjaring haar loop alleen voor het deel van de vordering, dat betwist blijft. Het bewijs van ontvangst van de vordering of van het antwoord en van het terugzenden der stukken rust op de partij, die dit feit inroept. Verdere, op hetzelfde onderwerp betrekking hebbende vorderingen schorsen de verjaring niet.

3. Met inachtneming van de bepalingen van het tweede lid, wordt de schorsing van de verjaring beheerst door de wet van het gerecht waarvoor de zaak aanhangig is. Hetzelfde geldt voor de stuiting van de verjaring.”

Volgens Hazeleger heeft de brief van 2 januari 2006 de verjaring geschorst (als bedoeld in art. 32 lid 2 CMR), en is deze schorsing opgeheven met de afwijzing van aansprakelijkheid bij de brief van 30 juni 2006. De resterende verjaringstermijn van 362 dagen was volgens Hazeleger al verstreken toen Brinky op 5 december 2007 de inleidende dagvaarding uitbracht.

Brinky heeft zich hiertegen verweerd met het betoog dat zij na de brief van 30 juni 2006 nog nieuwe brieven (d.d. 29 augustus 2006 en 16 april 2007) aan Hazeleger heeft gestuurd waarin zij haar aanspraak op schadevergoeding ondubbelzinnig heeft herhaald. Volgens Brinky hebben deze brieven de verjaring steeds opnieuw gestuit. Die mogelijkheid bestond – aldus nog steeds Brinky – omdat op grond van art. 32 lid 3 CMR de stuiting wordt bepaald door de wet van het land waar de zaak dient (de lex fori), en naar Nederlands recht schriftelijke aanmaningen de verjaring stuiten (art. 3:317 BW).

Maatstaven voor uitleg CMR

Dit betoog van Brinky stelt de vraag aan de orde naar de verhouding tussen lid 2 en lid 3 van art. 32 CMR. Meer concreet gaat het om de vraag of onder de gelding van deze verdragsbepaling samenloop van schorsing en stuiting van de verjaring mogelijk is (in die zin dat na schorsing van de verjaring, de verjaring ook nog kan worden gestuit conform de regels van het nationale recht). Alvorens deze vraag te beantwoorden, stelt de Hoge Raad voorop dat het hier gaat om de uitleg van eenvormig privaatrecht (zoals neergelegd in het CMR-verdrag). Die uitleg moet plaatsvinden aan de hand van de maatstaven van art. 31 en 32 van het Verdrag van Wenen inzake het verdragenrecht van 23 mei 1969 (Trb. 1972, 51, en 1985, 79). Zie eerder in deze zin al HR 29 juni 1990, NJ 1992/106, en HR 18 december 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI6315, NJ 2010/481.

Art. 31 en 32 van het Verdrag van Wenen verwijzen voor de uitleg van verdragsbepalingen onder meer naar de gewone betekenis van de daarin gebruikte termen (gelezen met inachtneming van de context en in het licht van het voorwerp en doel van het verdrag), naar de latere gebruiken in toepassing van het verdrag (zoals blijkend uit rechtspraak en literatuur), en naar de totstandkomingsgeschiedenis van het verdrag. Dit laatste interpretatiemiddel valt in casu al direct af, nu bij het CMR-verdrag geen verslag of documentatie van de voorbereidende werkzaamheden (“travaux préparatoires”) zijn gepubliceerd. Evenmin bestaat in dit geval in de verdragsstaten een heersende opvatting over de verhouding tussen art. 32 lid 2 en lid 3 CMR.

Resteren het voorwerp en de doelstelling van het CMR-verdrag. Dat is volgens de Hoge Raad “de eenmaking van het privaatrecht op het terrein van het internationaal wegvervoer”. Daarbij beoogt de korte verjaringstermijn van art. 32 lid 1 CMR “partijen in de transportsector rechtszekerheid te verschaffen” (rov. 3.8).

Bij de beantwoording van de voorliggende vraag – die zich toespitst op de afbakening tussen de regels van het CMR-verdrag zelf, en de regels van nationaal recht waarnaar het verdrag verwijst – moet daarom volgens de Hoge Raad het toepassingsgebied van de verdragsregeling ruim worden uitgelegd, en dat van het nationale recht beperkt:

“Langs deze weg wordt immers de met de CMR en de verjaringsregeling van art. 32 CMR beoogde eenmaking van het privaatrecht op het terrein van het internationaal wegvervoer zoveel mogelijk bevorderd, en daarmee tevens de rechtszekerheid en de snelle afhandeling van lopende geschillen.

In dit licht noopt de hiervoor in 3.7 genoemde omstandigheid dat de nationale rechtsstelsels van de bij de CMR aangesloten staten uiteenlopende regelingen kennen ten aanzien van de wijze(n) van schorsing en stuiting van verjaring alsmede de rechtsgevolgen daarvan, eveneens tot een uitleg van art. 32 lid 2 en 3 CMR waarbij het toepassingsgebied van het nationale recht wordt teruggedrongen ten gunste van dat van de eenvormige verdragsregeling.

Ten slotte past een strikte opvatting van het toepassingsgebied van het nationale recht bij het streven naar het ontmoedigen van forum shopping, waarbij iedere partij probeert (als eerste) de zaak aanhangig te maken bij de rechter wiens nationale recht de voor haar gunstigste regeling kent, zoals die met betrekking tot schorsing en stuiting van verjaring.”

Verhouding tussen art. 32 lid 2 en lid 3 CMR

Tegen deze achtergrond komt de Hoge Raad tot het volgende oordeel over de verhouding tussen art. 32 lid 2 en lid 3 CMR.

Art. 32 lid 2 CMR regelt op eenvormige wijze het intreden, de rechtsgevolgen en de opheffing van de schorsing van de verjaring die op grond van art. 32 lid 1 CMR is aangevangen. Dit tweede lid bepaalt in het bijzonder (i) dat een ‘schriftelijke vordering’ als bedoeld in deze bepaling schorsing bewerkstelligt, (ii) op welk tijdstip en door welke handeling van de vervoerder deze schorsing wordt opgeheven, en (iii) dat verdere, op hetzelfde onderwerp betrekking hebbende vorderingen de verjaring niet schorsen.

De verwijzing in art. 32 lid 3 CMR naar het nationale recht (de lex fori) brengt volgens de Hoge Raad mee dat het aan het nationale recht is overgelaten om te bepalen door middel van welke niet-verdragsrechtelijke handelingen kan worden bereikt dat schorsing of stuiting van de verjaring van art. 32 lid 1 CMR intreedt, en welke niet-verdragsrechtelijke gevolgen daaraan zijn verbonden. Deze nationale regels laten echter de eenvormige regels inzake schorsing van de verjaring (lid 2 van art. 32 CMR) onverlet. Op de bepaling in lid 2 dat na opheffing van de schorsing van de verjaring “verdere, op hetzelfde onderwerp betrekking hebbende vorderingen de verjaring niet schorsen” kan daarom geen inbreuk worden gemaakt door schorsings- of stuitingshandelingen naar nationaal recht, als die handelingen op hetzelfde neerkomen als een schriftelijke vordering in de zin van lid 2.

Dit alles betekent – in de woorden van de Hoge Raad – dat:

“indien de verjaring van art. 32 lid 1 CMR door een schriftelijke vordering in de zin van art. 32 lid 2 CMR is geschorst en deze schorsing vervolgens op de voet van art. 32 lid 2 CMR is opgeheven, een schriftelijke aanmaning of mededeling op de voet van art. 3:317 BW, die betrekking heeft op hetzelfde onderwerp als de eerdere schriftelijke vordering, niet ertoe kan leiden dat de verjaring wederom wordt geschorst of alsnog wordt gestuit. De schriftelijke aanmaning of mededeling in de zin van art. 3:317 BW moet in dit verband immers worden aangemerkt als een vordering als bedoeld in art. 32 lid 2 CMR.

Art. 32 lid 2 CMR belet evenwel niet dat door het instellen van een eis in rechte op de voet van art. 3:316 BW of door erkenning van de vordering op de voet van art. 3:318 BW, de verjaring van art. 32 lid 1 CMR rechtsgeldig wordt gestuit, ongeacht of deze verjaring in een eerder stadium op de voet van art. 32 lid 2 CMR is geschorst en of deze schorsing reeds is opgeheven. Het instellen van een eis in rechte en erkenning van de vordering kunnen in dit verband immers niet worden aangemerkt als vorderingen als bedoeld in art. 32 lid 2 CMR.”

De Hoge Raad maakt bij zijn oordeel dus onderscheid tussen de stuiting ex art. 3:317 BW enerzijds (die gelijk moet worden gesteld aan een schorsing in de zin van art. 32 lid 2 CMR, en daarmee dus niet kan cumuleren), en andere stuitingshandelingen naar Nederlands recht anderzijds (die wel mogelijk zijn naast de schorsing van de verjaring). Lezing van de conclusie van A-G Vlas doet vermoeden dat dit onderscheid is ingegeven door het feit dat de stuiting ex art. 3:317 BW (via een eenvoudige brief of aanmaning) in internationaal perspectief een wat vreemde eend in de bijt is: andere CMR-verdragsstaten kennen een dergelijke ‘informele’ wijze van stuiting van de verjaring veelal niet. Hierbij past dat de 3:317 BW-stuiting gelijk wordt gesteld aan de schorsing van de verjaring van art. 32 lid 2 CMR, en dat na het eindigen van de schorsing de verjaring niet ook nog eens langs de weg van art. 3:317 BW kan worden gestuit.

Share This