Alle berichten met de tag: BW art. 3:318


HR 26 januari 2018, ECLI:NL:HR:2018:108

Indien de verzekeraar rechtsgeldig namens de verzekerde de aansprakelijkheid voor schade heeft erkend en vervolgens met de benadeelde in onderhandeling is getreden over de schadeafwikkeling, mag de benadeelde erop vertrouwen dat de verzekeraar bij de schadeafwikkeling optreedt als vertegenwoordiger van de verzekerde. Voor een eventuele erkenning door de verzekeraar (namens de verzekerde) als grond voor stuiting van de lopende verjaring, is voldoende de erkenning dat de benadeelde aanspraak heeft op een hogere vergoeding dan reeds (onder voorbehoud) is betaald. (meer…)

HR 20 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:2043 (Brinky Bouw en Ontwikkeling B.V./Hazeleger Transporten B.V.)

Indien de verjaring van art. 32 lid 1 CMR door een schriftelijke vordering in de zin van art. 32 lid 2 CMR is geschorst en deze schorsing vervolgens op de voet van art. 32 lid 2 CMR is opgeheven, kan een schriftelijke aanmaning of mededeling op de voet van art. 3:317 BW, die betrekking heeft op hetzelfde onderwerp als de eerdere schriftelijke vordering, niet ertoe leiden dat de verjaring opnieuw wordt geschorst of alsnog wordt gestuit. De schriftelijke aanmaning of mededeling in de zin van art. 3:317 BW moet in dit verband worden aangemerkt als een vordering als bedoeld in art. 32 lid 2 CMR. Stuiting van de verjaring door het instellen van een vordering in rechte (art. 3:316 BW) of door erkenning (art. 3:318 BW) is in een dergelijk geval wel mogelijk. (meer…)

HR 23 september 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ8449 (X/Spektrum Financieringen)

De materiële rechtsverhouding die tussen partijen bestaat, verandert niet door een veroordelend vonnis met betrekking tot een deel van de vordering. (meer…)