Https://cassatieblog.nl maakt gebruik van cookies voor webanalyse en social media sharing. Google Analytics analyseert met behulp van cookies hoe de website wordt gebruikt. Daarnaast toont Https://cassatieblog.nl knoppen om informatie te delen op sociale media. Deze knoppen worden enkel weergegeven als u toestemming geeft cookies te plaatsen op uw computer. Meer informatie vindt u in ons Privacyverklaring.
weigeren accepteren

Aansprakelijkheid voor een (regres)vordering voor bergingskosten van een schip kan alleen met een wrakkenfonds worden beperkt

CB 2018-45 Geplaatst op 01 maart 2018 door

HR 2 februari 2018, ECLI:NL:HR:2018:140 (Wisdom/Riad) en ECLI:NL:HR:2018:142 (Sichem Anne/Margreta)

In twee arresten heeft de Hoge Raad antwoord gegeven op de vraag of aansprakelijkheid voor (regres)vorderingen voor kosten van berging van een schip kan worden beperkt door het stellen van een zakenfonds of dat daarvoor apart een wrakkenfonds moet worden gesteld. Een uitleg van art. 2 van het Verdrag inzake beperking van aansprakelijkheid voor maritieme vorderingen 1976  (LLMC) brengt mee dat dergelijke vorderingen zowel onder art. 2 lid 1 sub d en e LLMC als onder een andere categorie van art. 2 lid 1 LLMC kunnen vallen. Als een verdragsstaat echter gebruik heeft gemaakt van het voorbehoud van art. 18 LLMC (zoals voor Nederland het geval is) en heeft voorzien in een bijzondere nationale regeling (zoals een wrakkenfonds), geldt alleen de bijzondere nationale regeling en niet de beperkingsregeling van het verdrag. Dit betekent dat aansprakelijkheid voor een regresvordering voor bergingskosten alleen met een wrakkenfonds kan worden beperkt.

Achtergrond

In beide zaken ging het om een aanvaring tussen twee schepen. In Wisdom/Riad ging het om een aanvaring tussen het schip Riad (in eigendom van Riad c.s.) en het schip Wisdom (in eigendom van Amasus), waarna de Riad zonk. De Staat heeft Riad c.s. verzocht haar schip te bergen. Riad c.s. weigerde dit en daaropvolgend heeft de Staat het schip door een derde laten bergen. De geborgen lading op het schip was echter nog veel waard en om de lading vrij te krijgen, hebben de lading-eigenaren (ELG c.s.) de kosten van de berging aan de Staat betaald. Vervolgens heeft ELG c.s. een regresvordering ingesteld tegen de eigenaren van beide schepen (Riad c.s. en Amasus). Dit heeft ertoe geleid dat Amasus bij de rechtbank een verzoek heeft ingediend tot beperking van aansprakelijkheid door het stellen van beperkingsfondsen (ex art. 642a e.v. Rv). De rechtbank wees het verzoek toe en vervolgens heeft Amasus zowel een zakenfonds als een wrakkenfonds gesteld. De centrale vraag in deze zaak is of de lading-eigenaren (ELG c.s.) als regresnemers hun vorderingen kunnen indienen bij het wrakkenfonds of dat zij alleen bij het zakenfonds terecht kunnen. Volgens Amasus horen de vorderingen in het zakenfonds thuis. Zou dat betoog slagen dan zou het totaalbedrag van de in het wrakkenfonds ingediende vorderingen zo laag zijn dat dit fonds grotendeels zou worden teruggestort aan Amasus.

In de zaak Sichem Anne/Margreta ging het om een aanvaring tussen het aan Eitzen toebehorende schip Sichem Anne en het containerschip Margreta. Ook in deze zaak houden belanghebbenden bij beide schepen elkaar over en weer aansprakelijk voor de aanvaring en de daardoor ontstane schade. Beide partijen hebben hun aansprakelijkheid beperkt door het stellen van een zakenfonds. De belanghebbenden bij de Margreta hebben een regresvordering ingesteld tegen Eitzen in verband met de kosten die zij hebben gemaakt voor het bergen van het schip. Ook in deze zaak speelt de vraag of een dergelijke vordering in het zakenfonds thuishoort of dat daarvoor apart een wrakkenfonds moest worden gesteld.

Juridisch kader: beperking van aansprakelijkheid voor maritieme vorderingen

Het zeerecht kent voor scheepseigenaren de mogelijkheid om aansprakelijkheid voor schadevorderingen te beperken door het stellen van beperkingsfondsen. De beperking van aansprakelijkheid is gebaseerd op het eerder genoemde LLMC. Art. 2 lid 1 van dit verdrag bepaalt welke categorieën van vorderingen beperkt kunnen worden. Beperking is onder meer mogelijk voor vorderingen ter zake van verlies van of schade aan zaken opgekomen aan boord van een schip of in rechtstreeks verband met de exploitatie van het schip, alsmede voor vorderingen ter zake van schade ten gevolge van een of ander. Als een scheepseigenaar zich beroept op beperking van aansprakelijkheid, dan is hij gehouden om één of meerdere fondsen te stellen. Deze fondsen vormen een door de scheepseigenaar ten behoeve van zijn schuldeisers afgezonderd vermogen en fungeren als zekerheidsstelling voor schuldeisers. Vorderingen van schuldeisers worden bij het fonds ingediend en het vermogen in het fonds wordt vervolgens onder de schuldeisers verdeeld.

Art. 18 LLMC biedt verdragsstaten de mogelijkheid om een voorbehoud te maken op vorderingen voor, kort gezegd, kosten in verband met berging van een schip. Nederland heeft van dat voorbehoud gebruik gemaakt. Art. 8:755 BW regelt dat zaakschade ontstaan in verband met wrakopruiming of redding van lading en overige zaken niet wordt vergoed uit een zakenfonds maar uit een wrakkenfonds. Voor dergelijke vorderingen dient dan ook een afzonderlijk wrakkenfonds te worden gesteld.

Oordeel Hoge Raad

Zoals gezegd speelde in beide zaken de vraag of een regresvordering ter zake van kosten in verband met bergingswerkzaamheden van een schip moet worden aangemerkt als een vordering met betrekking tot wrakopruimingskosten, die zich slechts laat beperken door het stellen van een wrakkenfonds, dan wel als een vordering met betrekking tot zaakbeschadiging of gevolgschade, die beperkt kan worden door het stellen van een zakenfonds.

De Hoge Raad overweegt dat de opzet en inhoud van art. 2 lid 1 LLMC meebrengen dat het voor dit artikellid in beginsel niet uitmaakt wat de grondslag van de vordering is. Het maakt voor art. 2 LLMC dus niet uit of het gaat om een rechtstreekse vordering of een regresvordering. Voor een beroep op art. 3 lid 1 LLMC, dat bepaalt dat voor kosten van hulpverlening geen beperking van aansprakelijkheid mogelijk is, is dit echter wel bepalend. Dat artikellid ziet niet op regresvorderingen, aldus de Hoge Raad.

Vervolgens overweegt de Hoge Raad dat de ruime formulering van art. 2 lid 1 LLMC kan meebrengen dat bepaalde categorieën elkaar overlappen. Dat betekent dat een vordering op verschillende in die bepaling genoemde gronden voor beperking vatbaar kan zijn. Gemaakte bergingskosten kunnen volgens de Hoge Raad zowel onder art. 2 lid 1 onderdeel a LLMC als onder art. 2 lid 1 onderdeel d en e LLMC vallen. Als een verdragsstaat echter gebruik heeft gemaakt van het voorbehoud van art. 18 LLMC en er op grond daarvan een ander regime geldt met betrekking tot de onder dat voorbehoud vallende vorderingen dan gaat dat andere bijzondere regime als lex specialis voor op de bevoegdheid van art. 2 lid 1 aanhef en onder a LLMC, aldus de Hoge Raad. Dat regresvorderingen voor bergingskosten dus ook kunnen vallen onder definitie van vorderingen waarvoor met een zakenfonds beperkt kan worden, betekent niet dat er met een zakenfonds kan worden volstaan. Nu Nederland gebruik heeft gemaakt van het voorbehoud van art. 18 LLMC en onze nationale wet in een wrakkenfonds voorziet, kan aansprakelijkheid voor een regresvordering voor bergingskosten alleen met een wrakkenfonds worden beperkt.

email print