Https://cassatieblog.nl maakt gebruik van cookies voor webanalyse en social media sharing. Google Analytics analyseert met behulp van cookies hoe de website wordt gebruikt. Daarnaast toont Https://cassatieblog.nl knoppen om informatie te delen op sociale media. Deze knoppen worden enkel weergegeven als u toestemming geeft cookies te plaatsen op uw computer. Meer informatie vindt u in ons Privacyverklaring.
weigeren accepteren

Hoge Raad laat zich uit over de uitleg en reikwijdte van art. 3 lid 1 WAM

CB 2018-107 Geplaatst op 21 juni 2018 door

HR 8 juni 2018, ECLI:NL:HR:2018:877

Het begrip ‘in het verkeer’ als bedoeld in artikel 3 lid 1 WAM dient in overeenstemming met artikel 3, eerste alinea, WAM-richtlijn (Richtlijn 2009/103/EG) te worden uitgelegd. Uit jurisprudentie van het HvJEU volgt dat ‘deelneming aan het verkeer van voertuigen’ in de zin van artikel 3, eerste alinea, WAM-richtlijn ziet op elk gebruik van een voertuig dat overeenstemt met de gebruikelijke functie. Telkens als een voertuig als een vervoermiddel wordt gebruikt, is sprake van deelneming aan het verkeer. Deelneming aan het verkeer is niet beperkt tot situaties op de openbare weg.

Achtergrond

In deze zaak staat de uitleg en reikwijdte van het begrip ‘in het verkeer’ uit artikel 3 lid 1 WAM centraal. Op grond van artikel 3 lid 1 WAM moet de verzekering, kort gezegd, dekking bieden voor burgerrechtelijke aansprakelijkheid, waartoe een motorrijtuig in het verkeer aanleiding kan geven.

Verweerder in deze zaak heeft werkzaamheden verricht voor bedrijf X. Tot de werkzaamheden behoorde het verplaatsen van grote betonblokken (met een gewicht van 3 ton per stuk) met een vorkheftruck in een loods. Bij het naar voren rijden heeft de vorkheftruck een betonblok geraakt, waardoor dit blok is omgevallen en terecht is gekomen op de benen van een door verweerder ingeschakelde persoon (hierna: het slachtoffer). Het slachtoffer heeft ten gevolge van dit ongeval blijvend letsel opgelopen. Zijn beide benen zijn geamputeerd. Verweerder was bij Achmea verzekerd tegen (onder meer) de aansprakelijkheid ingevolge de WAM.

Procesverloop

Het slachtoffer heeft (in de hoofdprocedure) schadevergoeding gevorderd van verweerder. In de (hoofdprocedure) heeft verweerder toestemming verkregen om Achmea in vrijwaring op te roepen. In de vrijwaringsprocedure heeft verweerder veroordeling van Achmea gevorderd om aan haar datgene te betalen waartoe zij in de hoofdprocedure jegens het slachtoffer zal worden veroordeeld.

De kantonrechter heeft de vordering van verweerder in de vrijwaringsprocedure afgewezen, omdat de manoeuvre met de vorkheftruck waardoor het ongeval plaatsvond, niet onder het begrip ‘in het verkeer’ uit art. 3 lid 1 WAM valt. Het hof dacht daar anders over en heeft het vonnis van de kantonrechter vernietigd. Onder verwijzing naar HvJEU 4 september 2014, ECLI:EU:C:2014:2146 (Vnuk) heeft het hof geoordeeld dat er in dit geval sprake is van schade die ‘in het verkeer’ is ontstaan.

Cassatie

Achmea is van dit oordeel in cassatie gekomen en stelde zich (onder meer) op het standpunt dat het hof van een onjuiste rechtsopvatting met betrekking tot de reikwijdte van de verplichte verzekeringsdekking van art. 3 lid 1 WAM is uitgegaan.

Bij de behandeling van de klachten stelt de Hoge Raad voorop dat artikel 3 lid 1 WAM de implementatie van artikel 3, eerste alinea WAM-richtlijn (Richtlijn 2009/103/EG) vormt. Artikel 3 lid 1 WAM moet daarom in overeenstemming met die richtlijn worden uitgelegd. Artikel 3, eerste alinea van de WAM-richtlijn houdt in dat iedere lidstaat de nodige maatregelen treft opdat de wettelijke aansprakelijkheid met betrekking tot de deelneming aan het verkeer van voertuigen die gewoonlijk op zijn grondgebied zijn gestald, door een verzekering is gedekt. Onder verwijzing naar vaste rechtspraak van het HvJEU overweegt de Hoge Raad (in rov. 4.4.1 onderaan) vervolgens dat de eenvormige toepassing van het Unierecht en het gelijkheidsbeginsel vereisen dat het begrip ‘deelneming aan het verkeer van voertuigen’ in de gehele Europese Unie autonoom en uniform wordt uitgelegd.

Daaropvolgend stelt de Hoge Raad vast dat in de onderhavige zaak  in geschil is of het ongeval de verwezenlijking is van een risico dat is verbonden aan de deelneming aan het verkeer van de vorkheftruck of van een risico dat is verbonden aan het gebruik van de vorkheftruck in overeenstemming met de werkfunctie daarvan. Dat een vorkheftruck een motorrijtuig is in de zin van de WAM staat niet ter discussie.

Ter beantwoording van voornoemde vraag verwijst de Hoge Raad in rov. 3.4.3 – 3.4.5 naar een aantal arresten van het HvJEU waarin het ging om de uitleg van artikel 3, eerste alinea, WAM-richtlijn. In HvJEU 4 september 2014, ECLI:EU:C:2014:2146 (Vnuk) is overwogen dat het begrip ‘deelneming aan het verkeer van voertuigen’ mede ziet op elk gebruik van een voertuig dat overeenstemt met de gebruikelijke functie ervan. Daaruit kan worden afgeleid dat telkens als een voertuig als een vervoermiddel wordt gebruikt, sprake is van deelneming aan het verkeer. Dat staat er echter niet aan in de weg dat een voertuig in bepaalde omstandigheden niet wordt gebruikt in de gebruikelijke functie maar als werktuig. In HvJEU 28 november 2017, ECLI:EU:C:2017:908 (Rodrigues de Andrad) heeft het HvJEU dit nogmaals bevestigd. Uit HvJEU 20 december 2017, ECLI:EU:C:2017:1007 (Torreiro) volgt voorts dat het begrip ‘deelneming aan het verkeer’ niet beperkt blijft tot situaties in het wegverkeer, dat wil zeggen deelneming aan het verkeer op de openbare weg, maar dat onder dit begrip elk gebruik van een voertuig valt dat overeenstemt met de gebruikelijke functie van dit voertuig.

In de onderhavige zaak is het hof ervan uitgegaan dat een motorrijtuig in de zin van de WAM, in het onderhavige geval de vorkheftruck, bestemd is om gewoonlijk als vervoermiddel te worden gebruikt. Volgens de Hoge Raad heeft het hof daar kennelijk mee bedoeld dat de gebruikelijke functie ervan is ‘deelneming aan het verkeer’ in de zin van de WAM-richtlijn. Het hof heeft onderzocht of de vorkheftruck ten tijde van het ongeval als vervoermiddel diende. Op grond van de omstandigheden dat (i) de manoeuvre werd uitgevoerd bij het vervoeren van betonblokken en (ii) het ongeluk is ontstaan doordat de chauffeur bij het naar voren rijden van de vorkheftruck een betonblok heeft geraakt, is het hof tot de slotsom gekomen dat de vorkheftruck tijdens het uitvoeren van de manoeuvre als vervoermiddel diende. Naar het oordeel van de Hoge Raad ligt in dat oordeel besloten dat het gebruik dat van de vorkheftruck werd gemaakt niet de werktuigfunctie betrof.

Het oordeel van het hof dat uit de toedracht volgt dat sprake is van schade die ‘in het verkeer’ is ontstaan door een daarvoor verzekerd voertuig geeft volgens de Hoge Raad, gelet op de aangehaalde jurisprudentie van het HvJEU, geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting. De Hoge Raad verwerpt dan ook het cassatieberoep van Achmea.

email print