Selecteer een pagina

HR 1 februari 2013, LJN BZ0285

De Wet Bopz verzet zich niet ertegen dat indien een verzoek om een voorlopige machtiging is ingediend voordat is beslist over de machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling, terstond wordt beslist op het verzoek om een voorlopige machtiging. Ook indien beide verzoeken gelijktijdig worden gedaan, staat het de rechter vrij eerst het verzoek met de verste strekking te behandelen.

In deze zaak bevond betrokkene zich op last van de burgemeester in bewaring in verband met – kort gezegd – gevaar dat vermoedelijk werd veroorzaakt door een geestelijke stoornis. De officier heeft enkele dagen later zowel verzocht om een machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling als om een voorlopige machtiging. Deze afzonderlijke verzoeken zijn op dezelfde dag bij de rechtbank ingediend.

De rechtbank heeft beide verzoeken gelijktijdig behandeld en vervolgens een voorlopige machtiging verleend. Het verzoek ten aanzien van de inbewaringstelling werd afgewezen.

Betrokkene klaagde in cassatie dat de rechtbank een voorlopige machtiging heeft verleend (voor de duur van zes maanden), terwijl de rechtbank op dat moment slechts behoefde te beslissen over de machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling (voor een periode van drie weken). In zekere zin werd dus geklaagd dat de rechtbank (wellicht) met een lichtere maatregel dan een voorlopige machtiging had kunnen volstaan.

De Hoge Raad stelt voorop dat een last tot inbewaringstelling is bedoeld voor gevallen waarin de situatie dermate spoedeisend is dat een voorlopige machtiging niet kan worden afgewacht (art. 20 lid 2 Wet Bopz). Een voorlopige machtiging daarentegen kan ook worden verleend in niet-spoedeisende gevallen. Een bewaring behoeft aan die maatregel niet vooraf te zijn gegaan. De Hoge Raad vervolgt:

“De Wet Bopz verzet zich niet ertegen dat indien een verzoek om een voorlopige machtiging is ingediend voordat is beslist over de machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling, terstond wordt beslist op het verzoek om een voorlopige machtiging. Ook indien beide verzoeken gelijktijdig worden gedaan, staat het de rechter vrij eerst het verzoek met de verste strekking te behandelen. Als de rechter van oordeel is dat is voldaan aan de vereisten voor het verlenen van een voorlopige machtiging, kan hij het desbetreffende verzoek toewijzen. Daaraan doet niet af dat de voorlopige machtiging voor een langere periode kan worden verleend dan de machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling.”.

Volgt verwerping van het cassatieberoep.

Advocaat-generaal Langemeijer gaat in zijn conclusie voor deze beschikking in op de impliciete klacht over proportionaliteit (in de onderdelen 2.10 e.v.). Hij bespreekt in verband daarmee de (inhoudelijke) verschillen tussen de beide maatregelen en de betekenis daarvan voor de samenloop van verzoeken.

Share This