HR 2 november 2012, LJN BY2000

Toepassing van het kamerprogramma brengt geen insluiting met zich, nu de kamer waarin betrokkene verblijft niet wordt afgesloten. Er is geen sprake van afzondering of separatie en evenmin van een middel of maatregel als bedoeld in art. 39 Wet Bopz. Nu de rechtbank de toepassing van een kamerprogramma heeft aangemerkt als een dwangbehandeling in de zin van art. 38b en 38c van de wet, diende betrokkene over deze toepassing en over de gronden daarvoor, wel tevoren schriftelijk te worden ingelicht. 

Deze uitspraak volgt op een klachtprocedure van de betrokkene tegen het psychiatrisch ziekenhuis waarin hij op basis van een machtiging tot voortgezet verblijf is opgenomen. De psychiater heeft betrokkene op enig moment schriftelijk een dwangbehandeling met medicatie aangezegd. Enkele weken daarna heeft betrokkene bij de klachtencommissie geklaagd over onder meer separatie en beperkingen/afzonderingen in de eigen kamer, het zogenaamde kamerprogramma (zie voor een omschrijving van de begrippen afzondering en separatie onderdeel 2.4 van de conclusie van advocaat-generaal Langemeijer). Het gaat bij dit kamerprogramma om een gestandaardiseerde dagindeling, die deel uitmaakt van een voor de betrokken patiënt opgesteld stappenplan. Van de patiënt wordt verwacht dat hij bepaalde gedeelten van de dag in zijn eigen kamer doorbrengt, terwijl de tijd die de patiënt in de gemeenschappelijke ruimten van de afdeling of in de tuin mag doorbrengen stapsgewijs wordt uitgebreid zolang de patiënt gewenst gedrag vertoont. De klachtencommissie heeft de klachten van betrokkene ongegrond verklaard. Dat deed daarna ook de rechtbank.

In cassatie klaagt betrokkene allereerst dat dit “kamerprogramma”, anders dan de rechtbank heeft overwogen, moet worden aangemerkt als een middel of maatregel in de zin van art. 39 lid 1 Wet Bopz. Deze bepaling houdt – kort gezegd – in dat ten aanzien van een patiënt geen middelen of maatregelen mogen worden toegepast dan ter overbrugging van een tijdelijke noodsituatie. Deze middelen en maatregelen kunnen wel worden toegepast ter uitvoering van een behandelingsplan waarbij de art. 38, 38b en 38c Wet Bopz in acht zijn genomen.

De Hoge Raad wijst erop dat de rechtbank heeft vastgesteld dat de toepassing van het kamerprogramma in dit geval geen insluiting meebrengt, nu betrokkene in zijn kamer verblijft, die niet wordt afgesloten. Dat is in cassatie niet betwist. Het oordeel van de rechtbank dat in dit geval geen sprake is van afzondering of separatie, en derhalve evenmin van een middel of maatregel als bedoeld in art. 39 Wet Bopz geeft daarom geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Toepassing van dit kamerprogramma is ook niet in wezen gelijk te stellen met afzondering of separatie. Ook het oordeel van de rechtbank dat het kamerprogramma moet worden beschouwd als een onderdeel van de reguliere behandeling en niet als een tijdelijke, niet in het behandelingsplan voorziene, maatregel ter overbrugging van een noodsituatie, acht de Hoge Raad juist en niet onbegrijpelijk (rov. 3.2.4).

Met zijn tweede klacht heeft betrokkene meer succes.

De rechtbank heeft het kamerprogramma aangemerkt als een dwangbehandeling in de zin van art. 38b en 38c van de Wet Bopz. Over de toepassing van zo’n behandeling kan worden geklaagd (art. 41 lid 1 Wet Bopz). Art. 40a Wet Bopz schrijft voor dat de patiënt ten aanzien van wie een beslissing wordt genomen waarover op de voet van art. 41 lid 1 kan worden geklaagd, tevoren schriftelijk wordt geïnformeerd over (onder meer) de gronden waarop de beslissing berust. De eis van een schriftelijke gemotiveerde beslissing dient ertoe dat de beslissing tot toepassing van dwangbehandeling op zorgvuldige wijze wordt genomen (eerder Hoge Raad 10 juli 2009, LJN BI5924, i.h.b. rov. 3.4.2).

Uit de uitspraak van de rechtbank blijkt niet dat zij heeft onderzocht of betrokkene schriftelijk is geïnformeerd over de beslissing het kamerprogramma toe te passen en over de gronden waarop die beslissing berust. In cassatie moet daarom worden aangenomen dat dit is nagelaten. Het oordeel van de rechtbank – erop neerkomend dat de klacht niet behoeft te worden besproken, nu het niet gaat om een middel of maatregel als bedoeld in art. 39 Wet Bopz – geeft zodoende blijk van een onjuiste rechtsopvatting, aldus de Hoge Raad.

Volgt vernietiging en verwijzing naar dezelfde rechtbank.

Share This