HR 10 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:2937

Mede tegen de achtergrond van de uit art. 5 lid 1 EVRM voortvloeiende waarborgen tegen willekeurige vrijheidsbeneming, kan verslaving aan middelen als drugs en alcohol niet tot toepassing van de Wet Bopz leiden, tenzij de verslaving gepaard gaat met (andere) psychische stoornissen van zodanige ernst dat het denken, voelen, willen, oordelen en doelgericht handelen daardoor zo ingrijpend worden beïnvloed, dat betrokkene het veroorzaakte gevaar niet kan worden toegerekend, omdat de stoornis de gevaarvolle daden van de betrokkene overwegend beheerst.

Achtergrond

De officier van justitie had de rechtbank gevraagd een voorlopige machtiging te verlenen om betrokkene op te nemen in een psychiatrisch ziekenhuis. In de geneeskundige verklaring die bij dit verzoek was gevoegd, was bij de vraag: “Tot welke diagnose bent u gekomen op basis van uw onderzoek?” vermeld: “Afhankelijkheid van zowel opioïden, alcohol als cannabis. Vermoeden van psychiatrische problematiek”.

Betrokkene verzette zich tegen gedwongen opneming en had onder meer aangevoerd dat hij al dertig jaar zo leeft, dat er geen stoornis is, en dat hij zo [als dakloze] wil doorleven.

De rechtbank had het verzoek van de officier toegewezen met de volgende overweging:

“Betrokkene is afhankelijk van zowel opioïden, methadon, alcohol als cannabis. Deze verslavingen hebben hem geheel in hun macht en beheersen zijn denken, willen en handelen in overheersende mate. Daarnaast is er een vermoeden van psychiatrische problematiek. Hij zwerft op straat en slaapt op diverse plekken voor zwervers. Hij is niet in staat zijn situatie goed te overzien. Betrokkene zorgt slecht voor zijn lichamelijke conditie, is vermagerd en vervuild. De behandelaar is bang dat, wanneer er nu niet ingegrepen wordt, betrokkene zal overlijden op straat. Volgens de behandelaar zakt hij wel eens in elkaar, ook als hij fietst. Zonder de onderhavige machtiging zal betrokkene zichzelf niet laten behandelen. In dat geval is er – onder meer – gevaar voor maatschappelijke teloorgang en ernstige zelfverwaarlozing. Er is geen basis voor een vrijwillige opname.”

In cassatie

Over de verhouding tussen verslaving en een psychische stoornis bestaat in de (zorg)praktijk al geruime tijd discussie. Advocaat-Generaal Langemeijer heeft op die discussie gewezen in zijn conclusie voor de beschikking van de Hoge Raad van 23 september 2005 (ECLI:NL:HR:2005:AU0372) en in zijn conclusie in deze zaak. In zijn beschikking van 23 september 2005 oordeelde de Hoge Raad dat, tegen de achtergrond van de parlementaire geschiedenis, “alcoholverslaving, ook indien wordt aangenomen dat dit een psychiatrische ziekte is, niet tot toepassing van de Wet Bopz  kan leiden, tenzij de verslaving gepaard gaat met (andere) psychische stoornissen van zodanige ernst dat het denken, voelen, willen, oordelen en doelgericht handelen daardoor zo ingrijpend worden beïnvloed, dat betrokkene het veroorzaakte gevaar niet kan worden toegerekend, omdat de stoornis de gevaarvolle daden van de betrokkene overwegend beheerst.”.

Betrokkene had in cassatie op deze beschikking gewezen en gesteld dat het oordeel van de rechtbank onjuist was, dan wel onvoldoende steun vond in de gedingstukken. Dat onderdeel slaagt. Met verwijzing naar zijn beschikking van 23 september 2005 herhaalt de Hoge Raad dat:

verslaving aan middelen als drugs en alcohol niet tot toepassing van de Wet Bopz [kan] leiden, tenzij de verslaving gepaard gaat met (andere) psychische stoornissen van zodanige ernst dat het denken, voelen, willen, oordelen en doelgericht handelen daardoor zo ingrijpend worden beïnvloed, dat betrokkene het veroorzaakte gevaar niet kan worden toegerekend, omdat de stoornis de gevaarvolle daden van de betrokkene overwegend beheerst. Daarbij moet in aanmerking worden genomen dat het bij afhankelijkheid van verslavende middelen veelal gaat om verschijnselen van chronische aard, zodat een daarop gebaseerde vrijheidsbeneming naar haar aard eveneens van lange duur zou kunnen zijn.”

De rechtbank heeft volgens de Hoge Raad niet vastgesteld dat aan deze maatstaf is voldaan:

De rechtbank heeft niet vastgesteld dat de gediagnostiseerde afhankelijkheid van opioïden, alcohol en cannabis tot een psychische stoornis heeft geleid, noch dat sprake is van een andere psychische stoornis.”

Een (eventueel impliciet) oordeel dat sprake is van een psychische stoornis vindt ook onvoldoende steun in de stukken van het geding:

Voor zover in de vaststelling dat de verslavingen betrokkene geheel in hun macht hebben en zijn denken, willen en handelen in overheersende mate beheersen, besloten ligt dat naar het oordeel van de rechtbank sprake is van een psychische stoornis, vindt die vaststelling onvoldoende steun in de geneeskundige verklaring. Daaruit valt wat betreft het psychiatrisch onderzoek niet meer af te leiden dan dat betrokkene, kort samengevat, al jarenlang verslaafd is, methadon krijgt, zwerft en zichzelf niet goed verzorgt. De psychiater die de geneeskundige verklaring heeft afgegeven heeft daaraan geen andere diagnose verbonden dan afhankelijkheid van genoemde middelen en “een vermoeden van psychiatrische problematiek”. Onder de noemer ‘gevaar’ vermeldt de geneeskundige verklaring dat de oordeelsvorming van betrokkene is aangetast doordat hij voortdurend onder invloed is. Ook daaruit volgt echter niet dat sprake is van een psychische stoornis.”

Advocaat-Generaal Langemeijer meende in zijn conclusie voor deze beschikking dat het onderdeel afstuitte op de feitelijkheid van de beoordeling, die aan de rechtbank is.

In verband met verslaving en psychische stoornis is ook interessant kennis te nemen van de conclusie van advocaat-generaal Langemeijer (a-g) voor een latere uitspraak van de Hoge Raad, van 8 mei 2015 (ECLI:NL:HR:2015:1227). Het cassatieberoep in die zaak verwerpt de Hoge Raad met een verkorte motivering. In zijn conclusie gaat de a-g onder meer in op het begrip “stoornis”. De a-g meent dat het oordeel van de rechtbank in die zaak, inhoudende dat een [antisociale] persoonlijkheidsstoornis als waarvan in deze zaak sprake was, in combinatie met de alcoholverslaving, is aan te merken als een ziekelijke stoornis van de geestvermogens niet rechtens onjuist is, noch onbegrijpelijk. De rechtbank had blijkens de conclusie gerefereerd aan oordeels- en kritiekstoornissen die onder invloed van alcohol tot uitbarsting komen en dan het handelen van betrokkene “volledig in beslag nemen”.

Share This