Selecteer een pagina

HR 8 november 2013, ECLI:NL:HR:2013:1138

Het vereiste dat de geneeskundige verklaring is gebaseerd op onderzoek door een niet bij de behandeling betrokken psychiater, verzet zich er niet tegen dat het onderzoek wordt verricht door een psychiater van de instelling waarin de patiënt reeds verblijft, mits deze psychiater niet bij de behandeling betrokken is of kort tevoren betrokken is geweest.

In deze zaak had de officier van justitie verzocht om een nieuwe voorwaardelijke machtiging. De daartoe vereiste geneeskundige verklaring was opgesteld door een psychiater die werkzaam was op hetzelfde “kantoor” als de behandelend psychiater van de betrokkene. Dat was voor betrokkene reden ter zitting van de rechtbank te betogen dat de psychiater die de verklaring had opgesteld niet voldoende onafhankelijk was. De psychiater die de verklaring had opgesteld was ter zitting aanwezig en heeft verklaard nooit enige “behandelbemoeienis” met betrokkene te hebben gehad en voorts dat het bij de GGZ gebruikelijk is dat een geneeskundige verklaring voor het verkrijgen van een nieuwe voorwaardelijke machtiging  “in eigen circuit” wordt opgemaakt.

De Hoge Raad verwijst naar zijn uitspraak van 20 oktober 2006 (ECLI:NL:HR:2006:AY9228, NJ 2007/259) en overweegt dat het vereiste dat de geneeskundige verklaring is gebaseerd op onderzoek door een niet bij de behandeling betrokken psychiater, zich er niet tegen verzet dat het onderzoek wordt verricht door een psychiater van de instelling waarin de patiënt reeds verblijft, mits deze psychiater niet bij de behandeling betrokken is of kort tevoren betrokken is geweest.

Voorts sluit dit vereiste niet uit dat het onderzoek wordt verricht door een psychiater die ten tijde van het onderzoek niet bij de behandeling betrokken is, maar zulks in het verleden wel is geweest. Daarbij is niet alleen van belang het tijdsverloop sinds het beëindigen van de behandelrelatie, maar ook de duur en de intensiteit van de behandelrelatie. De Hoge Raad wijst hierbij op zijn uitspraken van 16 oktober 2009, ECLI:NL:HR:2009:BK0342, NJ 2009/518, en 13 september 2013, ECLI:NL:HR:2013:701, NJ 2013/448.

Aan de hand van deze maatstaven oordeelt de Hoge Raad dat de cassatieklachten falen. De omstandigheden dat de behandelend psychiater werkt op hetzelfde kantoor als de psychiater die de verklaring heeft opgesteld en dat het bij de GGZ gebruikelijk is dat een geneeskundige verklaring met betrekking tot het verkrijgen van een nieuwe voorwaardelijke machtiging “in eigen circuit” wordt opgemaakt zijn onvoldoende grond voor de conclusie dat psychiater die de verklaring heeft opgesteld in de periode van het onderzoek en de totstandkoming van de geneeskundige verklaring in enig opzicht betrokken was bij de behandeling.

Opmerkelijk in deze zaak was dat de psychiater die de verklaring had opgesteld ter zitting van de rechtbank de behandelend psychiater heeft vertegenwoordigd en namens deze verklaringen heeft afgelegd. Advocaat-Generaal Langemeijer had dit in zijn conclusie voor deze beschikking al aangemerkt als een “vanuit een oogpunt van beeldvorming (..) ongelukkige rolwisseling” (onderdeel 2.26). Ook de Hoge Raad laat weten dit onwenselijk te vinden. Het maakt weliswaar niet dat de geneeskundige verklaring niet langer kan gelden als afkomstig van een onafhankelijk psychiater, maar bij wege van obiter dictum overweegt de Hoge Raad:

“(..) Dit neemt niet weg dat ingeval de rechter zich bij de mondelinge behandeling van het verzoek, op de voet van art. 8 lid 4, aanhef en onder f en g, Wet Bopz, laat voorlichten, het onwenselijk is dat de psychiater die de geneeskundige verklaring heeft afgegeven, de behandelend psychiater daarbij vertegenwoordigt. Het vereiste van de art. 5 lid 1, 14a lid 4 en 14c lid 5 Wet Bopz dat de psychiater die de geneeskundige verklaring afgeeft, niet bij de behandeling betrokken was, strekt immers mede ertoe te waarborgen dat hij als onafhankelijk psychiater de rechter in staat stelt op het verzoek te beslissen in een procedure die als geheel voldoet aan het vereiste van een eerlijk proces in de zin van art. 6 lid 1 EVRM. (..)” (rov. 3.6).

In zijn al genoemde (en fraaie) conclusie voor deze beschikking gaat de Advocaat-Generaal onder meer in op Straatsburgse jurisprudentie over de betekenis van het woord “objectief” in objective medical expertise, op komende nationale wetgeving en op wetgeving in België en Duitsland.

De officier is in cassatie bijgestaan door de auteur.

 

Share This