Https://cassatieblog.nl maakt gebruik van cookies voor webanalyse en social media sharing. Google Analytics analyseert met behulp van cookies hoe de website wordt gebruikt. Daarnaast toont Https://cassatieblog.nl knoppen om informatie te delen op sociale media. Deze knoppen worden enkel weergegeven als u toestemming geeft cookies te plaatsen op uw computer. Meer informatie vindt u in onze Privacyverklaring.
weigeren accepteren

Wet BOPZ - Gedwongen opneming op grond van voorwaardelijke machtiging mogelijk tot vier weken na afloop van de geldigheidsduur

CB 2013-179 Geplaatst op 29 oktober 2013 door

HR 25 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:1040 en  ECLI:NL:HR:2013:1039

De geneesheer-directeur kan een besluit tot opneming in een psychiatrisch ziekenhuis als bedoeld in art. 14d lid 1 Wet Bopz niet alleen nemen gedurende de geldigheidsduur van de voorwaardelijke machtiging, maar ook nog daarna gedurende een termijn van vier weken na afloop van deze geldigheidsduur, mits vóór het verstrijken van de voorwaardelijke machtiging een verzoek is ingediend tot het verlenen van een aansluitende rechterlijke machtiging.

De aan de Hoge Raad voorgelegde vraag

Dat de Wet Bopz niet altijd even inzichtelijk is, is geen nieuws; dat hij voor verschillende situaties geen duidelijke regels geeft evenmin. In de loop der jaren zijn allerlei rechterlijke noodverbanden aangelegd. Hoe ver die noodverbanden strekken is soms ook weer de vraag. In deze zaken draaide het om de “nawerking” van een rechterlijke machtiging. De Hoge Raad heeft eerder (HR 23 februari 1996, NJ 1996, 618) beslist dat iemand gedwongen opgenomen kan blijven, ook al is de geldigheidsduur van de rechterlijke machtiging inmiddels verstreken, mits de officier van justitie tijdig voor het verstrijken van de geldigheidsduur heeft verzocht om een aansluitende machtiging. De vraag in deze zaken was: heeft een voorwaardelijke machtiging diezelfde nawerking, inclusief de daaraan verbonden mogelijkheid van conversie, de beslissing van de geneesheer-directeur tot gedwongen opneming op basis van deze machtiging (die dan converteert in een voorlopige machtiging)? Het verschil met andere machtigingen is dat de wet voor de beslissing van de rechtbank op een verzoek om een voorwaardelijke machtiging geen vaste beslistermijn kent, maar slechts een richtsnoer: zo spoedig mogelijk (art. 14c lid 7 in verbinding met art. 14a lid 4 en art. 9 lid 1 Wet Bopz).

De feiten

De relevante feiten waren betrekkelijk eenvoudig. Ten aanzien van betrokkene gold een voorwaardelijke machtiging geldig tot 22 december 2012. Op 21 december 2012 heeft de officier van justitie verzocht om een nieuwe voorwaardelijke machtiging. Met een beslissing van 23 januari 2013 heeft de geneesheer-directeur betrokkene onvrijwillig in het psychiatrisch ziekenhuis laten opnemen. Op dat moment had de rechtbank nog niet beslist op het verzoek van de officier.

Omdat betrokkene was opgenomen, heeft de officier op 29 januari 2013 het verzoek om een nieuwe voorwaardelijke machtiging ingetrokken en een verzoek ingediend tot het verlenen van een machtiging tot voortgezet verblijf.

Bij de rechtbank was betrokkene opgekomen tegen de beslissing van de geneesheer-directeur, onder meer met het argument dat de rechtbank niet binnen vier weken op het verzoek om een nieuwe voorwaardelijke machtiging had beslist en conversie daarom op 23 januari 2013 niet meer mogelijk was.  Hij verzette zich eveneens tegen het verzoek om een machtiging tot voortgezet verblijf.

Het oordeel van de Hoge Raad over de conversie

In de procedure die heeft geleid tot de eerste uitspraak (ECLI:NL:HR:2013:1040) had de rechtbank in de beschikking klaarblijkelijk wat zitten worstelen met de mogelijkheden van het tekstverwerkingsprogramma; zo leek de beschikking hier en daar te gaan over een beslissing tot intrekking van een voorwaardelijk ontslag. Had Advocaat-Generaal Langemeijer in zijn conclusie voor deze beschikking nog wel mogelijkheid gezien dat met de mantel der liefde te bedekken gelet op de overeenkomstige criteria (onderdeel 2.7), de Hoge Raad casseert op de daartegen gerichte klacht en vernietigt de beschikking van de rechtbank al op die grond. Dat geeft vervolgens de vrijheid om recht toe recht aan tot een oordeel over de kern van de zaak te komen (“De Hoge Raad ziet aanleiding voorts nog het volgende te overwegen.”).

De geneesheer-directeur is volgens de Hoge Raad niet alleen tijdens de geldigheidsduur van de voorwaardelijke machtiging bevoegd een besluit tot opneming van betrokkene in een psychiatrisch ziekenhuis te nemen, maar onder omstandigheden ook daarna. Dit laatste is het geval zolang niet afwijzend is beschikt op een – voor het einde van de termijn ingediend – verzoek tot het verlenen van een aansluitende machtiging en de termijn voor het geven van de beschikking niet is verstreken. In een geval als dit, waarin betrokkene nog niet in een psychiatrisch ziekenhuis is opgenomen, bepaalt de wet slechts dat de rechter “zo spoedig mogelijk” beslist. Dit kan tot het uit een oogpunt van rechtsbescherming onaanvaardbare gevolg leiden dat de geneesheer-directeur nog gebruik zou kunnen maken van zijn bevoegdheid tot gedwongen opneming nadat de geldigheidsduur van de eerdere voorwaardelijke machtiging al (zeer) geruime tijd is verstreken. Mede gelet op het in art. 5 lid 1, aanhef en onder e, EVRM opgenomen vereiste dat een “rechtmatige” vrijheidsbeneming van geesteszieken moet plaatsvinden “overeenkomstig een wettelijk voorgeschreven procedure” moet art. 14d lid 1 Wet Bopz volgens de Hoge Raad aldus worden uitgelegd dat de aan de geneesheer-directeur gegeven bevoegdheid aan een termijn is gebonden.

De Hoge Raad komt dan tot het aan het begin van deze bijdrage al weergegeven oordeel dat de geneesheer-directeur een besluit tot opneming in een psychiatrisch ziekenhuis als bedoeld in art. 14d lid 1 Wet Bopz niet alleen kan nemen gedurende de geldigheidsduur van de voorwaardelijke machtiging, maar ook nog daarna gedurende een termijn van vier weken na afloop van deze geldigheidsduur, mits vóór het verstrijken van de voorwaardelijke machtiging een verzoek is ingediend tot het verlenen van een aansluitende rechterlijke machtiging.

De Hoge Raad doet in deze procedure de zaak zelf af door te verstaan dat de vrijheidsbeneming van betrokkene gedurende het tijdvak tussen 23 januari 2013 en 27 februari 2013 – de datum waarop de machtiging tot voortgezet verblijf werd verleend – niet rechtmatig is geweest.

Het oordeel van de Hoge Raad over de machtiging tot voortgezet verblijf

In de procedure die heeft geleid tot de tweede uitspraak (ECLI:NL:HR:2013:1039) hield de beschikking van de rechtbank daarna evenmin stand. Aan de verlening van de machtiging tot voortgezet verblijf had de rechtbank mede ten grondslag gelegd dat betrokkene op dat moment in een psychiatrisch ziekenhuis verbleef krachtens een voorwaardelijke machtiging die was geconverteerd in een (onvoorwaardelijk verleende) voorlopige machtiging. Dat was, gelet op de beschikking in de hiervoor besproken procedure, onjuist. Volgt vernietiging en terugverwijzing naar de rechtbank Amsterdam.

De officier van justitie is in deze zaken bijgestaan door de auteur.

email print