11 oktober 2018  ECLI:NL:HR:2019:1562

De Hoge Raad bevestigt de eerdere jurisprudentie over de hoorplicht van de rechter. Bij het verlenen van een voorlopige machtiging in het kader van de Wet Bopz dient de betrokkene door de rechtbank gehoord te worden, ook als er sprake is van een voortzetting van een mondelinge behandeling.

In deze Bopz-zaak heeft de voortgezette mondelinge behandeling plaatsgevonden buiten aanwezigheid van de betrokkene.  Het verzoek van de officier van justitie tot verlening van een voorlopige machtiging is door de rechtbank mondeling behandeld in het psychiatrisch ziekenhuis op 25 februari 2019 waarbij de betrokkene aanwezig was. De  behandeling van het verzoek is door de rechtbank in de instelling voortgezet op 25 maart 2019 buiten aanwezigheid van de betrokkene. Hij verbleef op dat moment met instemming van de behandelaar buiten het psychiatrisch ziekenhuis in verband met een korte vakantie. De psychiater heeft ter zitting verklaard dat de betrokkene op dat moment op Ameland verbleef en dat het niet gelukt was om hem telefonisch te bereiken en op de hoogte te stellen van de zitting.

Met de mededeling ter zitting dat het niet noodzakelijk was dat de betrokkene tijdens de voortgezette behandeling aanwezig is, nu hij al gehoord is op het verzoek om een voorlopige machtiging heeft de rechtbank gehandeld in strijd met art. 8 lid 1 Wet Bopz gestelde eis.

De Hoge Raad vernietigt de beschikking en verwijst de zaak terug ter verdere behandeling en beslissing.

Share This