Onlangs verscheen de evaluatie van de Wet prejudiciële vragen aan de Hoge Raad. Geconcludeerd wordt dat de wet een onverdeeld succes is gebleken en dat invoering van een prejudiciële procedure in het strafrecht te overwegen valt.

Op 1 juli 2012 trad de Wet prejudiciële vragen aan de Hoge Raad in werking. Met deze wet werd de mogelijkheid geïntroduceerd voor feitenrechters om in civiele procedures prejudiciële vragen voor te leggen aan de Hoge Raad. Vier jaar later verschijnt een “tussentijdse evaluatie in het licht van de mogelijke invoering in het strafrecht”, uitgevoerd door een groep onderzoekers van de Universiteit Utrecht in opdracht van het WODC.

In het eerste deel van het rapport wordt, op basis van jurisprudentieonderzoek, interviews en expert meetings, de werking van de prejudiciële procedure in civilibus geëvalueerd. De balans valt zonder meer positief uit: de prejudiciële procedure is een “onverdeeld succes” gebleken en de ontwikkeling van het privaatrecht heeft geprofiteerd van de procedure. Dé succesfactoren van de regeling, zo constateren de onderzoekers, zijn de welwillendheid en snelheid waarmee de civiele kamer van de Hoge Raad en het civiele Parket bij de Hoge Raad de prejudiciële procedures heeft aangepakt.

Punten van aandacht en verbetering zijn er ook. Zo wijzen de onderzoekers op de noodzaak “te blijven waken voor een te grote toestroom van zaken”. Ook constateren zij dat er discussie bestaat over de toegevoegde waarde van de cassatieadvocaat in de prejudiciële procedure. Zelf zien de onderzoekers wel de meerwaarde in van de “extra ervaring van de cassatieadvocaat als het om de ‘dienstverlening’ naar partijen en de Hoge Raad toe gaat”, maar zij wijzen in dit verband wel op een verschil met de prejudiciële procedure in fiscale zaken, die geen verplichte procesvertegenwoordiging kent.

Het tweede deel van het rapport ziet op de mogelijke invoering van een prejudiciële procedure in het strafrecht. Gelet op de positieve conclusies in civilibus wekt het geen verbazing dat de onderzoekers concluderen dat uitbreiding tot het strafrecht “te overwegen valt”. Zij waarschuwen wel dat de wettelijke regeling van de prejudiciële procedure in civiele zaken niet één op één kan worden “overgeplant” in het Wetboek van Strafvordering.

Share This