Selecteer een pagina

HR 17 juli 2020 ECLI:NL:HR:2020:1289

Het stond de rechtbank vrij te anticiperen op de aangekondigde gelijkstelling van (onder meer) het syndroom van Korsakov met een psychogeriatrische aandoening of verstandelijke handicap als bedoeld art. 1 lid 4 Wet zorg en dwang (Wzd), en een machtiging tot voortgezet verblijf op grond van de Wzd te verlenen.

Betrokkene lijdt aan het syndroom van Korsakov. Ten tijde van de beschikking van de rechtbank in deze procedure (10 februari 2020) verbleef hij in een verpleeghuis dat is gespecialiseerd in Korsakov-zorg. In september 2019 had de rechtbank een machtiging op de voet van art. 15 Wet Bopz (oud) verleend tot voortgezet verblijf van betrokkene in een verpleeginrichting tot en met 7 maart 2020. Vervolgens had het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) op de voet van art. 24 lid 1 Wzd verzocht deze machtiging te verlengen voor de duur van een jaar. Van de zijde van betrokkene was ter zitting van de rechtbank aangevoerd dat betrokkene onder de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg viel, omdat het Besluit zorg en dwang (Bzd) waarbij onder meer het syndroom van Korsakov wordt aangewezen als “gelijkgestelde aandoening”, en zo onder de Wzd wordt gebracht, nog niet van kracht was. De rechtbank had het onder meer van belang geacht dat betrokkene in het gespecialiseerde verpleeghuis zou kunnen blijven waar hij thans verbleef, en de gevraagde machtiging onder de Wzd verleend. Het Bzd waarbij onder meer het syndroom van Korsakov onder de Wzd wordt gebracht is op 1 mei 2020 in werking getreden.

De Hoge Raad laat de beslissing van de rechtbank in stand; art. 5 EVRM stond niet aan haar beslissing in de weg. De overwegingen van de Hoge Raad zijn, samengevat:

  • in art. 1 lid 4 Wet zorg en dwang is nauwkeurig bepaald onder welke voorwaarden ziekten en aandoeningen bij AMvB kunnen worden aangewezen die voor de toepassing van de Wzd worden gelijkgesteld met een psychogeriatrische aandoening of een verstandelijke handicap;
  • ten tijde van de beslissing van de rechtbank was voldoende voorzienbaar dat bedoelde gelijkstelling er zou komen, op korte termijn in het Bzd zou worden neergelegd en dat de praktijk daarmee volgens de Minister al zoveel mogelijk rekening kon houden.

Volgt verwerping van het cassatieberoep. Gelijke beslissing: ECLI:NL:HR:2020:1309.

Share This