Selecteer een pagina

HR 21 december 2012, LJN BY0485 (HZPC/Veritas)

De enkele omstandigheid dat een opdrachtnemer geen uitvoering geeft aan de opdracht doordat hij geen kennis heeft genomen van een daartoe strekkend verzoek van een derde, met wie hij geen contractuele relatie onderhoudt, is onvoldoende voor het oordeel dat de opdrachtnemer jegens die derde onrechtmatig heeft gehandeld.

HZPC is een Nederlandse exporteur van pootaardappelen. Anno 2007 heeft HZPC een partij pootaardappelen verkocht aan een Angolese koper. De Angolese regering vereist inspectie van ingevoerde pootaardappelen door een erkend inspectiebureau. Het wereldwijd opererende Veritas-concern, waarvan verweerster in cassatie de Nederlandse vestiging is, kwalificeert als zo’n erkend inspectiebureau.

De gebruikelijke gang van zaken bij een transactie als de onderhavige is dat de Angolese koper opdracht geeft aan de lokale Veritas-agent in Angola om de aangekochte partij te inspecteren. Vervolgens verzendt het Franse hoofdkantoor van Veritas een aanvraagformulier, getiteld “request for inspection”, per fax aan HZPC. HZPC vult hierop de beoogde datum en plaats van de inspectie in en verzendt het ingevulde formulier vervolgens per fax naar de Nederlandse Veritas-vestiging, die de inspectie dient uit te voeren.

In casu is deze gebruikelijke gang van zaken doorbroken doordat het “request for inspection” na verzending door HZPC in het ongerede is geraakt. De partij pootaardappelen is daarom verscheept zonder dat inspectie had plaatsgevonden. HZPC stelt in dit geding de Nederlandse Veritas-vestiging aansprakelijk voor de dientengevolge geleden schade. Meer concreet gaat het om de beweerde extra kosten van inspectie in Angola, betaling van smeergelden en kosten wegens demurrage, omdat het schip met de niet-geïnspecteerde partij de haven niet in mocht.

Grondslag van de vordering is niet wanprestatie – HZPC had immers geen overeenkomst met Veritas (opdrachtgever van de inspectie was de Angolese koper) – maar onrechtmatige daad. Meer concreet betoogt HZPC dat Veritas onrechtmatig jegens haar heeft gehandeld door, in afwijking van de zojuist geschetste gebruikelijke gang van zaken, de inspectie niet tijdig uit te voeren. Ter onderbouwing beroept HZPC zich op het arrest Vleesmeesters/Alog uit 2004, waarin werd geoordeeld dat, indien iemand partij is bij een contractverhouding welke in het rechtsverkeer een “schakel” is gaan vormen waarmee de belangen van derden kunnen zijn gemoeid, de ongeschreven normen van maatschappelijke betamelijkheid kunnen meebrengen dat deze contractspartij die betrokken belangen van derden dient te ontzien. Meer recent heeft de Hoge Raad deze regel herhaald in het arrest Wierts/Visseren.

Het hof wees de vordering van HZPC af. Volgens het hof was het de verantwoordelijkheid van HZPC om zich ervan te vergewissen of de vereiste inspectie tijdig had plaatsgevonden. Een dergelijke controle had zij ook eenvoudig kunnen uitvoeren, bijvoorbeeld door na verzending van het “request for inspection” navraag te doen bij Veritas B.V. dan wel door aan haar verlader, bij wie de pootaardappelen zich in afwachting van de verscheping bevonden, te vragen haar te waarschuwen bij het uitblijven van tijdige inspectie. De omstandigheid dat het in het verleden altijd goed was gegaan zonder een dergelijke controle door HZPC, rechtvaardigt het achterwege laten daarvan niet, aldus het hof.

In cassatie klaagt HZPC kort gezegd dat het hof de eerder bedoelde regel uit het arrest Vleesmeesters/Alog heeft miskend, te weten dat contractanten onder omstandigheden de belangen van de bij een geschakelde rechtsverhouding betrokken derden dienen te ontzien. Meer concreet stelt HZPC dat de contractuele rechtsverhouding tussen het Veritas-concern en de Angolese koper van de pootaardappelen “de zorgplicht kleurt die op Veritas B.V., als de uiteindelijke uitvoerder van de opdracht, rustte”.

De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep, conform de conclusie van Advocaat-Generaal Spier. Bij gebreke van een contractuele relatie tussen HZPC en Veritas acht de Hoge Raad de enkele omstandigheid dat de Nederlandse Veritas-vestiging de fax houdende het “request for inspection” heeft ontvangen maar daarvan geen kennis heeft genomen, doordat deze (bij Veritas) in het ongerede is geraakt, onvoldoende voor het aannemen van onrechtmatigheid. Nu Veritas niet van de fax heeft kennisgenomen en dus niet op de hoogte is geraakt van het verzoek om inspectie, kan immers niet worden gezegd dat zij gehouden was haar gedrag mede door de belangen van HZPC te laten bepalen, aldus de Hoge Raad onder verwijzing naar het arrest Vleesmeesters/Alog (rov. 3.4.1). De omstandigheid dat Veritas zich extern presenteert als “één wereldwijde organisatie”, zoals HZPC ter onderbouwing van haar cassatieberoep nog had aangevoerd, doet volgens de Hoge Raad niet af aan de juistheid of begrijpelijkheid van ’s hofs oordeel (rov. 3.4.2).

Het arrest staat dus in het teken van de gedachte dat voor het aannemen van onrechtmatigheid jegens de bij een contractuele rechtsverhouding betrokken derden tenminste is vereist dat de dreigende aantasting van de belangen van deze derden voorzienbaar was voor de aangesproken contractant (zie in die zin bijv. Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-III* (2009), nr. 522).

Veritas is in cassatie bijgestaan door Ans van Duijvendijk-Brand en de auteur, en in feitelijke instanties door Hans de Haij.

Share This