Selecteer een pagina

HR 27 november 2020, ECLI:NL:HR:2020:1887

Een notaris heeft een akte van huwelijkse voorwaarden gepasseerd, maar deze vervolgens niet ingeschreven in het huwelijksgoederenregister. De Hoge Raad oordeelt dat het aanvangsmoment van de lange verjaringstermijn moet worden gesteld op het laatste moment waarop de notaris alsnog voor inschrijving van de akte had kunnen zorgdragen zonder tekort te schieten in de nakoming van de op hem rustende verbintenis. 

Achtergrond van de zaak

Een notaris heeft een akte van huwelijkse voorwaarden gepasseerd, maar deze vervolgens niet ingeschreven in het huwelijksgoederenregister. Hierdoor hebben de huwelijkse voorwaarden geen werking jegens derden (art. 1:116 BW). De vrouw ondervindt daarvan de gevolgen als haar man wordt toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling en zijn bewindvoerder weigert haar vordering te plaatsen op de lijst van concurrente schuldeisers. Zij stelt de notaris aansprakelijk voor de schade die zij lijdt doordat de notaris heeft nagelaten de akte van huwelijkse voorwaarden in te schrijven.

Het hof oordeelt dat de rechtsvordering van de vrouw is verjaard, omdat de termijn van twintig jaar van art. 3:310 lid 1 BW is verstreken. Volgens het hof is deze termijn gaan lopen zes weken na 29 april 1992, de datum waarop de notaris de akte van huwelijkse voorwaarden passeerde. In cassatie klaagt de vrouw onder meer dat het hof is uitgegaan van een onjuist aanvangsmoment. Volgens de vrouw is de verplichting van de notaris niet geëindigd, maar heeft de notaris gedurende vele jaren nagelaten om de akte te doen inschrijven en te controleren of inschrijving had plaatsgevonden. Op het moment van aansprakelijkstelling zou de verjaring daarom nog niet zijn voltooid.

Opeenvolgende en voortdurende onrechtmatige daden

Met dit betoog heeft de vrouw aansluiting gezocht bij twee recente arresten van de Hoge Raad over art. 3:310 lid 1 BW. Het eerste arrest is TMG/Staat, waarin niet de lange termijn van twintig jaar, maar de korte termijn van vijf jaar centraal stond. De zaak ging over een onjuiste implementatie van een EU-richtlijn. Dat die implementatie onjuist was, bleek pas later uit rechtspraak van het Hof van Justitie van de EU. De Hoge Raad oordeelde dat, zolang geen juiste implementatie plaatsvindt, dit iedere dag een zelfstandige onrechtmatige daad van de Staat oplevert. De daarop gegronde vorderingen verjaren volgens de Hoge Raad niet in éen keer, maar afzonderlijk (zie CB 2018-83).

Het tweede arrest waar de vrouw zich op beroept, is Parkeergarage Zandvoort (zie CB 2019-48). In deze zaak over de risicoaansprakelijkheid van art. 6:174 BW was de schadeveroorzakende gebeurtenis de – sinds 1974 voortdurende – aanwezigheid van een oprit zonder grondkerende voorziening en de gronddruk die het gewicht van die oprit, al dan niet in combinatie met dat van voertuigen op die oprit, sinds de aanleg is blijven uitoefenen op de muur van een naastgelegen flatgebouw. Volgens de Hoge Raad kan die gebeurtenis – vanwege haar “voortdurende karakter” – niet tot één moment kan worden herleid. De daardoor veroorzaakte onzekerheid over het aanvangstijdstip van de twintigjarige verjaring verdraagt zich volgens hem niet met het aan die termijn ten grondslag liggende belang van de rechtszekerheid. Daarom moet “in een geval als dit worden aangenomen dat de termijn van twintig jaren begint te lopen zodra de gebeurtenis waardoor de schade is veroorzaakt, is opgehouden te bestaan”. Dit strookt met wat art. 3:310 lid 3 BW bepaalt voor gevallen van milieuverontreiniging, een regel waarvan volgens de Hoge Raad aannemelijk is dat deze “overeenkomt met het voor invoering van die bepaling voor verjaring in het algemeen reeds geldende recht” (r.o. 3.5.2).

Het zal niet verbazen dat in de literatuur vervolgens is gediscussieerd over de reikwijdte van deze overwegingen ten overvloede. Sommige auteurs hebben betoogd dat de objectieve verjaringstermijn in alle gevallen van “voortdurende onrechtmatige daden” pas een aanvang neemt indien de schadeveroorzakende gebeurtenis een einde heeft genomen. Andere auteurs stellen dat de Hoge Raad de regel heeft beperkt tot het specifieke gevalstype dat in die zaak aan de orde was: een vordering op grond van art. 6:174 BW tot vergoeding van zaakschade, die is veroorzaakt in een doorlopend fysiek proces dat niet tot één moment valt te herleiden (zie de conclusie van A-G Valk, onder 3.10). Ook wordt gediscussieerd over het onderscheid tussen dergelijke “voortdurende onrechtmatige daden” en “opeenvolgende onrechtmatige daden”, zoals aan de orde in TMG/Staat.

De Hoge Raad

In deze zaak over het verzuim van de notaris gaat de Hoge Raad niet op deze rechtspraak in. Hij stelt de oudere rechtspraak over art. 3:310 lid 1 BW voorop (r.o. 3.1.2) en overweegt vervolgens dat het hof terecht heeft geoordeeld dat de notaris verplicht was de akte van huwelijkse voorwaarden na het passeren daarvan met de meeste spoed in te schrijven, en dat hij moest controleren of de inschrijving had plaatsgevonden (r.o. 3.1.3).

De Hoge Raad overweegt daarna dat het hof als aanvangstijdstip van de verjaringstermijn van twintig jaar heeft aangeknoopt bij het moment waarop de notaris naar het oordeel van het hof tekortschoot in deze inschrijf- en controleplicht. Daaraan staat volgens het hof niet in de weg dat de notaris ook daarna nog gehouden was voor inschrijving van de akte van huwelijkse voorwaarden zorg te dragen. Dit oordeel geeft volgens de Hoge Raad geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk:

“(…) Dat de notaris nog gedurende lange tijd na het moment waarop hij tekortschoot in de nakoming van de op hem rustende inschrijf- en controleplicht, had kunnen zorgdragen voor inschrijving van de akte van huwelijkse voorwaarden – en daarmee het intreden van schade had kunnen voorkomen – staat niet eraan in de weg dat het tijdstip waarop de gebeurtenis plaatsvond waardoor de schade is veroorzaakt, moet worden gesteld op het laatste moment waarop de notaris alsnog voor inschrijving van de akte had kunnen zorgdragen zonder tekort te schieten in de nakoming van de op hem rustende verbintenis. (…)” (r.o. 3.1.5)

A-G Valk kwam eerder ook tot de conclusie dat het hof het verzuim van de notaris terecht als een eenmalige gebeurtenis heeft geduid. Hij vond wel dat het hof niet begrijpelijk had gemotiveerd waarom het vertrouwen van de vrouw op de bevoegdheid van de directeur van het notariskantoor om de notaris te vertegenwoordigen, niet gerechtvaardigd was. De Hoge Raad verwerpt ook deze klacht. Volgens hem doet deze stelling voor het feitelijke oordeel dat de kantoordirecteur geen aansprakelijkheid heeft erkend niet terzake (r.o. 3.2.2).

Het debat over de verjaring van opeenvolgende en voortdurende onrechtmatige daden gaat ongetwijfeld voort.

Share This