HR 10 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:2932

Volgens art. 2:10 lid 1 BW is het bestuur verplicht op zodanige wijze een administratie te voeren dat te allen tijde de rechten en verplichtingen van de rechtspersoon kunnen worden gekend. In het arrest Brens q.q./Sarper (NJ 1993/713) heeft de Hoge Raad niet een hiervan afwijkende maatstaf geformuleerd. Door te verwijzen naar dat arrest heeft het hof niet miskend dat in dit verband ook andere elementen dan de debiteuren- en crediteurenpositie en de stand van de liquiditeiten van belang kunnen zijn.

De curator van de gefailleerde vennootschap FSM (voorheen actief in de beeldbuizenindustrie) heeft verweerders in cassatie als indirect bestuurders aansprakelijk gesteld voor een faillissementstekort op de voet van art. 2:248 BW. Ter onderbouwing van deze vordering uit hoofde van kennelijk onbehoorlijke taakvervulling stelde de curator onder meer dat verweerders de zogenaamde boekhoud- of administratieplicht van art. 2:10 lid 1 BW hadden geschonden. Die bepaling luidt:

“Het bestuur is verplicht van de vermogenstoestand van de rechtspersoon en van alles betreffende de werkzaamheden van de rechtspersoon, naar de eisen die voortvloeien uit deze werkzaamheden, op zodanige wijze een administratie te voeren en de daartoe behorende boeken, bescheiden en andere gegevensdragers op zodanige wijze te bewaren, dat te allen tijde de rechten en verplichtingen van de rechtspersoon kunnen worden gekend.”

Het hof wees de vordering af onder verwijzing naar het arrest Brens q.q./Sarper (HR 11 juni 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC0994, NJ 1993/713), waaruit het hof afleidde dat aan de boekhoudplicht is voldaan “indien de boekhouding van een zodanig niveau is dat men snel inzicht kan krijgen in de debiteuren- en crediteurenpositie op enig moment en deze posities en de stand van de liquiditeiten, gezien de aard en omvang van de onderneming, een redelijk inzicht geven in de vermogenspositie”.

In cassatie klaagt de curator dat het hof hiermee een te beperkte uitleg heeft gegeven aan de wettelijke boekhoudplicht. Volgens de curator omvat de boekhoudplicht méér dan alleen het bieden van een snel inzicht in de vermogenspositie van de rechtspersoon, en komt het (ook) aan op een juiste weergave van het vermogen en het resultaat. Het hof zou dit hebben miskend, door aansluiting te zoeken bij de (op de debiteuren- en crediteurenpositie respectievelijk de stand van de liquiditeiten toegespitste) overwegingen uit het arrest Brens q.q./Sarper.

Deze klacht faalt. De Hoge Raad verduidelijkt dat zijn overwegingen uit het arrest Brens q.q./Sarper (zoals overgenomen door het hof) cassatietechnisch moeten worden opgevat: daarmee heeft de Hoge Raad niet een van art. 2:10 BW afwijkende maatstaf geformuleerd, maar “slechts geoordeeld dat hetgeen de feitenrechter in die zaak omtrent de betekenis van de (deels gelijkluidende) voorganger van het artikel had overwogen (art. 2:14 (oud)BW), geen blijk gaf van een onjuiste rechtsopvatting” (rov. 3.5.2).

Het voorgaande brengt mee dat ’s hofs verwijzing naar het arrest “niet betekent dat het hof de stellingen van de curator heeft beoordeeld aan de hand van een andere maatstaf dan die van art. 2:10 lid 1 BW”, aldus de Hoge Raad (die hiermee dus een welwillende lezing aan het bestreden arrest lijkt te geven). Het hof heeft ook niet miskend, zo vervolgt de Hoge Raad, dat voor het antwoord op de vraag of de boekhouding voldoet aan de daaraan te stellen eisen, “ook andere elementen daarvan van belang kunnen zijn dan de debiteuren- en crediteurenpositie en de stand van de liquiditeiten” (rov. 3.5.3). A-G Timmerman meende eveneens dat de desbetreffende klachten faalden (conclusie, sub 3.15 e.v.).

De curator heeft niettemin succes met een andere klacht, te weten dat het hof niet was ingegaan op zijn stelling dat er (ook) sprake was van onbehoorlijke taakvervulling doordat de bestuurders in het kader van een management buy out namens FSM een onzakelijke lening hadden verstrekt aan MPE, de koper van de aandelen van FSM. Op dit punt volgt vernietiging en verwijzing (rov. 3.4.2). Ook A-G Timmerman achtte de betreffende motiveringsklacht gegrond (conclusie, sub 3.4).

De overige klachten worden met toepassing van art. 81 RO (ongemotiveerd) verworpen. Eén van die klachten betrof het overgangsrecht ten aanzien van het per 1 oktober 2012 vervallen art. 2:207c (oud) BW. Hoewel het hof op dit punt volgens A-G Timmerman van een onjuiste rechtsopvatting was uitgegaan, had de curator bij zijn desbetreffende klacht geen belang, nu ’s hofs oordeel dat FSM art. 2:207c (oud) BW niet had geschonden in cassatie stand kon houden (conclusie, sub 3.7-3.8 en 3.10).

Share This