HR 20 september 2019  ECLI:NL:HR:2019:1409

De regels in de Wet wapens en munitie houdende een algemeen verbod op het voorhanden hebben van vuurwapens en het daarmee samenhangend verlofstelsel, beogen niet alleen de veiligheid van de samenleving in algemene zin te bevorderen, maar ook om te voorkomen dat individuele burgers het slachtoffer worden van niet verantwoord vuurwapenbezit.

In 2011 heeft een man in het rond een winkelcentrum in Alphen aan den Rijn met vuurwapens geschoten en daarbij zes mensen gedood en zestien mensen verwond. De schutter heeft tot slot zichzelf gedood.

Slachtoffers dan wel nabestaande, ooggetuigen en winkeliers wier eigendommen bij dit incident zijn beschadigd, hebben in deze procedure primair vergoeding van schade gevorderd die het gevolg is van het vuurwapengebruik van de schutter. Subsidiair vorderen zij een verklaring voor recht dat de politie jegens hen onrechtmatig heeft gehandeld door aan de schutter in 2008 wapenverlof te verlenen en dit verlof twee maal te verlengen. Grondslag van deze vorderingen is dat de politie niet alle relevante feiten in de beoordeling van de aanvraag om wapenverlof heeft betrokken en de toepasselijke wetgeving ten onrechte niet restrictief heeft toegepast.

De rechtbank heeft de vorderingen afgewezen, omdat de politie weliswaar onrechtmatig had gehandeld door het geven van het wapenverlof, maar de overtreden norm niet strekt ter bescherming van de individuele vermogensbelangen van de oorspronkelijke eisers. Het hof heeft dit vonnis vernietigd en de primaire vordering toegewezen wat betreft materiële en immateriële letsel- en overlijdensschade; de vordering ten aanzien van andere schadeposten heeft het hof afgewezen.

In deze uitspraak behandelt de Hoge Raad twee cassatieberoepen: dat van de Politie (als rechtsopvolgster van de politieregio Hollands-Midden, verder ook: de politie), en dat van vijftien eisers tegen de Politie.

Het cassatieberoep van de Politie

In cassatie bestreed de Politie noch het oordeel van het hof dat de politie onrechtmatig heeft gehandeld in de zin van art. 6:162 BW door de schutter verlof te geven voor het voorhanden hebben van een vuurwapen, noch de gronden waarop dit oordeel rust, namelijk, kot samengevat, dat bij verlofverlening ten onrechte geen rekening is gehouden met de inbewaringstelling op grond van de Wet Bopz van de schutter in 2006 en met incidenten met een luchtdrukwapen in 2003 waarbij de schutter was betrokken, en dat deze feiten hadden moeten leiden tot weigering van het verlof. Het cassatieberoep van de Politie zag op het relativiteitsvereiste, het condicio sine qua non-verband en de toerekening.

Relativiteitsvereiste (art. 6:163 BW)

De Politie bestreed allereerst het oordeel van het hof dat de geschonden norm bij het verlenen van het verlof mede (specifiek) tot doel heeft om de burger in zijn individuele belang te beschermen tegen de schadelijke gevolgen van vuurwapengebruik. De Wet wapens en munitie zou slechts ten doel hebben het maatschappelijk belang van een veilige samenleving te dienen en in algemene zin de veiligheid van burgers en samenleving te bevorderen.

De Hoge Raad wijst dit van de hand. De regels in de Wet wapens en munitie houdende een algemeen verbod op het voorhanden hebben van vuurwapens en het daarmee samenhangend verlofstelsel, beogen volgens de Hoge Raad niet alleen de veiligheid van de samenleving in algemene zin te bevorderen, maar ook om te voorkomen dat individuele burgers het slachtoffer worden van niet verantwoord vuurwapenbezit. De Hoge Raad wijst hiervoor, kort samengevat, op het stringente stelsel in de Wet wapens en munitie, waaruit volgt dat verlof uitsluitend kan worden verleend, verlengd en van kracht kan blijven als duidelijk is dat dit gelet op de veiligheid verantwoord is. In het oordeel van het hof ligt volgens de Hoge Raad besloten dat onderkend had moeten worden dat in het geval van de schutter het risico bestond op vuurwapengebruik tegen anderen.

condicio sine qua non-verband (art. 6:162 BW)

Verder voerde de Politie aan dat het oorzakelijk verband ontbrak omdat de schutter ook zonder verlof, op andere wijze (illegaal) aan een wapen zou zijn gekomen.

De Hoge Raad oordeelt dat mede gelet op de aard van de door de politie geschonden norm (een veiligheidsnorm die vuurwapenbezit beoogt te voorkomen bij personen bij wie dat niet verantwoord is) van de Politie onderbouwing mocht worden gevergd van de betwisting van het condicio sine qua non-verband en het schietincident. Wat de Politie daartoe had aangevoerd (onder meer voorbereidingshandelingen en handelen van de schutter onder invloed van stemmen) leveren die onderbouwing niet op. De Hoge Raad wijst er op dat die omstandigheden zich hebben voorgedaan toen de schutter reeds over het verlof beschikte en niet meebrengen dat de schutter zonder dat verlof zich daadwerkelijk illegaal wapens had verschaft.

Toerekening van letsel- en overlijdensschade (art. 6:98 BW)

Als laatste kwam de Politie op tegen het oordeel van het hof dat de door de schutter bij het incident veroorzaakte materiële en immateriële letsel- en overlijdensschade aan de politie kan worden toegerekend. Ook dit leidt niet tot cassatie.

Met het hof is de Hoge Raad van oordeel dat de aard van de geschonden norm een ruime toerekening van de schade rechtvaardigt. In het oordeel van het hof ligt besloten dat de politie rekening had te houden met de mogelijkheid dat de schutter leed aan een psychische stoornis. De politie had naar het oordeel van het hof daarmee ook moeten onderkennen dat bij de schutter mogelijk risico bestond van vuurwapengebruik tegen anderen. Het hof heeft volgens de Hoge Raad daarom zonder blijk te geven van een onjuiste rechtsopvatting kunnen oordelen dat de door de schutter bij het schietincident veroorzaakte materiële en immateriële letsel- en overlijdensschade aan de politie kan worden toegerekend. Dat oordeel is ook voldoende gemotiveerd en niet onbegrijpelijk.

Het cassatieberoep van vijftien van de oorspronkelijke eisers

Het tweede cassatieberoep, waarbij de Politie verweerster is, ziet op andere schadeposten dan letsel- en overlijdensschade. Het hof had geoordeeld dat bij deze schadeposten geen ruime toerekening past, gelet op de aard ervan. Dit oordeel blijft niet in stand.

De Hoge Raad overweegt dat in zijn algemeenheid niet kan worden geoordeeld dat andere door het schietincident veroorzaakte schade in het geheel niet aan de politie kan worden toegerekend. De door de politie geschonden norm strekt immers niet uitsluitend ter bescherming tegen letsel- en overlijdensschade, maar ook tegen andere schade door vuurwapengebruik:

4.2.2 (..) De enkele omstandigheid dat andere schade in haar algemeenheid minder ernstig is te achten dan letsel- en overlijdensschade, is onvoldoende om toerekening van die schade in het geheel niet gerechtvaardigd te achten. Dat neemt niet weg dat het wel mogelijk is om die schade op een andere grond niet toe te rekenen, bijvoorbeeld op de grond dat deze in een te ver verwijderd verband staat met de gedraging waarop de aansprakelijkheid berust of niet of minder voorzienbaar was. Daarop berust het oordeel van het hof evenwel niet.

 

4.2.3 Nu het hof de Politie heeft veroordeeld tot schadevergoeding op te maken bij staat, kan de Hoge Raad zelf op dit punt de zaak afdoen door een verbeterde veroordeling uit te spreken als hierna te vermelden. Opmerking verdient dat gelet op het hiervoor in 4.2.2 overwogene, in de schadestaat-procedure onder meer nog zal moeten worden beoordeeld of en in hoeverre het in dit geval gerechtvaardigd is om andere schade dan letsel- en overlijdensschade aan Politieregio HM toe te rekenen.

In het cassatieberoep van de Politie volgt verwerping.

In het cassatieberoep van vijftien eisers volgt vernietiging van het arrest van het hof, maar uitsluitend voor zover de veroordeling van de Politie daarbij is beperkt tot vergoeding van materiële en immateriële letsel- en overlijdensschade; de Hoge Raad doet opnieuw recht en veroordeelt de Politie tot vergoeding van de door eisers geleden en nog te lijden materiële en immateriële schade die het gevolg is van het vuurwapengebruik dat op 9 april 2011 door de schutter in Alphen aan den Rijn heeft plaatsgevonden, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet.

De Politie werd in cassatie bijgestaan door Karlijn Teuben en Gijsbrecht Nieuwland.

Share This