HR 15 juni 2012 (LJN BW5514; BW5515; BW5516; BW5517; BW5518; BW5520; BW5521; BW5525)

De Hoge Raad houdt zijn uitspraken over compensatie voor reizigers bij vertraagde vluchten aan, nu is gebleken dat op korte termijn uitspraak is te verwachten van het HvJEU. Hij stelt de processtukken opnieuw in handen van de procureur-generaal voor het nemen van een aanvullende conclusie na de uitspraak van het HvJEU.

Op 18 mei 2012 zijn op dit blog de conclusies besproken van A-G mr. Vlas van 11 mei 2012 inzake de compensatie bij vertraagde vluchten. De A-G concludeerde dat passagiers bij langdurige vertraging van hun vlucht recht hebben op compensatie op basis van EG-Verordening 261/2004. Het Sturgeon-arrest (HvJ EG 19 november 2009) geeft nog steeds het geldende recht weer, aldus de A-G. Voor het stellen van prejudiciële vragen zag de A-G geen aanleiding.

Door gerechten in andere lidstaten zijn wel prejudiciële vragen aan het Europese Hof gesteld. Op 15 mei 2012 heeft de advocaat-generaal bij het Europese Hof in dat verband twee gevoegde zaken (C-581/10 en C-629/10) een conclusie genomen. Uit ambtshalve door de Hoge Raad ingewonnen inlichtingen is gebleken dat in die zaken – waarin in de kern dezelfde vraag aan de orde is als in de thans aan de Hoge Raad voorgelegde zaken – op korte termijn uitspraak is te verwachten.

Hoewel in de cassatiezaken de spoedbehandeling (art. 17 Rolreglement civiele kamer) wordt toegepast, heeft de Hoge Raad op grond van deze bijzondere omstandigheden aanleiding gezien zijn uitspraak aan te houden totdat het HvJEU uitspraak heeft gedaan. De processtukken zijn opnieuw in handen gesteld van de procureur-generaal, voor het nemen van een aanvullende conclusie nadat het HvJEU uitspraak heeft gedaan.

Share This