HR 23 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2992

De rechtsverhouding tussen een advocaat en een cliënt brengt mee dat de advocaat verplicht is met de cliënt te overleggen of er termen zijn te trachten een toevoeging te verkrijgen, tenzij de advocaat goede gronden heeft om aan te nemen dat de cliënt niet voor door de overheid gefinancierde rechtsbijstand in aanmerking komt.

Cliënt loon aan advocaat verschuldigd?

In deze zaak ging het om de vraag of een cliënt loon aan zijn advocaat was verschuldigd en zo ja, wat de hoogte van dit loon was. Tussen hen was een overeenkomst van opdracht gesloten. In deze overeenkomst was niet afgesproken dat de cliënt loon aan de advocaat zou betalen. De advocaat stuurde de declaraties rechtstreeks naar de verzekeraar van de cliënt en de verzekeraar voldeed deze declaraties. Volgens de advocaat was de cliënt loon aan hem verschuldigd, maar de cliënt heeft geweigerd dit te betalen. Volgens de cliënt is het onaanvaardbaar dat hij tot betaling van loon wordt aangesproken, aangezien hij een bijstandsuitkering ontving en in aanmerking kwam voor gefinancierde rechtsbijstand. De advocaat had een toevoeging moeten aanvragen, maar heeft dit niet gedaan. Cliënt voert daarbij aan dat als een toevoeging was aangevraagd, hij niet meer verschuldigd zou zijn dan de eigen bijdrage. Door geen toevoeging aan te vragen, heeft de advocaat volgens de cliënt Gedragsregel 24 lid 3 geschonden. Deze regel luidt als volgt:

“Wanneer de cliënt mogelijk in aanmerking komt voor door de overheid gefinancierde rechtshulp en niettemin verkiest daarvan geen gebruik te maken, dient de advocaat dat schriftelijk vast te leggen.”

De cliënt is van mening dat de advocaat, door schending van deze regel, tekort is geschoten in de nakoming van zijn verplichtingen uit de overeenkomst. Hierdoor bestaat er volgens de cliënt geen verplichting tot het betalen van loon.

Hof: tekortkoming advocaat bevrijdt cliënt niet van betalingsverplichtingen

Volgens de kantonrechter is de cliënt ingevolge art. 7:405 BW het op gebruikelijke wijze berekende loon, of bij gebreke daarvan, een redelijk loon verschuldigd. Ook het hof heeft de cliënt veroordeeld tot betaling van loon. Het hof overweegt dat de enkele stelling dat de advocaat in de nakoming van de overeenkomst is tekortgeschoten, cliënt nog niet bevrijdt van zijn betalingsverplichting. Bovendien is volgens het hof onvoldoende onderbouwd dat cliënt bij het aanvragen van een toevoeging niet meer verschuldigd zou zijn dan de eigen bijdrage. Daarbij wijst het hof op het feit dat toevoegingen in letselschadezaken in de regel slechts voorwaardelijk worden verleend en meestal worden ingetrokken zodra een uitkering wordt betaald en de rechtsbijstand bij de aansprakelijke partij in rekening kan worden gebracht.

HR bevestigt: zorgplicht aanvragen toevoeging rust op advocaat

In navolging van A-G Keus bekrachtigt de Hoge Raad het arrest van het hof en overweegt:

“Het middel neemt terecht tot uitgangspunt dat de rechtsverhouding tussen een advocaat en een cliënt meebrengt dat de advocaat verplicht is met de cliënt te overleggen of er termen zijn te trachten een toevoeging te verkrijgen, tenzij de advocaat goede gronden heeft om aan te nemen dat de cliënt niet voor door de overheid gefinancierde rechtsbijstand in aanmerking komt (HR 1 november 1991, ECLI:NL:HR:1991:ZC0397, NJ 1992/121, en HR 14 mei 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC0962, NJ 1993/457).”

Uitgangspunt is dus dat de zorgplicht ten aanzien van de verkrijging van gefinancierde rechtshulp van een cliënt op een advocaat rust. Deze zorgplicht bestaat in feite uit twee elementen. In de eerste plaats is de advocaat verplicht te overleggen met zijn cliënt of er aanleiding is een toevoeging aan te vragen. In de tweede plaats mag een advocaat, wanneer de cliënt mogelijk in aanmerking komt voor toevoeging, een zaak slechts tegen betaling voortzetten indien hij daartoe de bewuste instemming van zijn cliënt heeft verkregen (zie de conclusie van A-G Keus, sub 2.11).

In de onderhavige zaak heeft de cliënt zich dus in principe terecht op standpunt gesteld dat de advocaat niet aan zijn zorgplicht heeft voldaan. De betreffende klacht faalt echter bij gebrek aan belang (rov. 3.4). A-G Keus wees in dit verband op de algemene regel dat bij wederkerige overeenkomsten een tekortkoming van de ene partij in de nakoming van haar verbintenis de andere partij niet van rechtswege van haar eigen (betalings)verplichtingen uit hoofde van de overeenkomst bevrijdt (conclusie, sub 2.13). Daarvoor is ontbinding van de overeenkomst vereist, zo volgt uit vaste rechtspraak van de Hoge Raad (vgl. HR 19 februari 1988, ECLI:NL:HR:1988:AD0206, HR 2 november 1990, ECLI:NL:HR:1990:AB8146, HR 21 februari 1992, ECLI:NL:HR:1992:ZC09520).

Share This