HR 31 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:3077 (FNV c.s./Enerco B.V.)

Het enkele feit dat een stakingsactie wordt uitgevoerd in een ander bedrijf dan dat van de werkgever, brengt nog niet mee dat deze actie buiten de reikwijdte van art. 6 onder 4 van het Europees Sociaal Handvest (ESH) valt. Het gaat erom of een dergelijke stakingsactie redelijkerwijs kan bijdragen tot de doeltreffende uitoefening van het recht op collectief onderhandelen. De onrechtmatigheid van zo’n stakingsactie kan niet alleen worden gegrond op het feit dat een derde aanzienlijke schade lijdt, maar moet worden beoordeeld aan de hand van de omvang van de schade, de betrokken belangen en de relevante overige omstandigheden van het geval.

De feiten

Enerco, verweerster in cassatie, exploiteert een kolenwasserij op een terrein van Rietlanden (een op- en overslagbedrijf) aan de Amerikahaven te Amsterdam. De kolenwasserij van Enerco wordt bevoorraad door zeeschepen. Deze worden eerst in IJmuiden ‘gelicht’ en worden daarna bij de kolenwasserij gelost door Rietlanden.

Op het terrein van Rietlanden vonden sinds september 2012 collectieve acties plaats van de vakbonden FNV en HZC (hierna: de bonden). Op 9 oktober 2012 kwam het zeeschip Evgenia aan te IJmuiden met een lading steenkool voor Enerco. Tijdens het lichten van de Evgenia door Rietlanden, ontstond een onaangekondigde staking, waardoor het lichten van het schip niet werd voltooid.

De bonden hebben hun kaderleden bij andere overslagbedrijven verzocht om zich solidair te verklaren met de acties bij Rietlanden en de schepen van klanten van Rietlanden niet te lossen. Dit werk werd ‘besmet verklaard’. Veel overslagbedrijven (althans hun personeel) hebben aan deze oproep gehoor gegeven. Het werk aan de Evgenia, dat onder de besmetverklaring viel, is daardoor ook niet elders verricht.

In deze procedure gaat het  om de vraag of deze besmetverklaring geoorloofd was. Meer concreet is de vraag of deze actievorm valt onder art. 6 onder 4 van het ESH, en zo ja, of de bonden met de actie een disproportionele inbreuk hebben gemaakt op de belangen van Enerco en daardoor jegens haar onrechtmatig hebben gehandeld.

Het stakingsrecht

Het stakingsrecht is in Nederland niet in de wet geregeld, maar is in de rechtspraak vormgegeven op basis van art. 6 onder 4 ESH. Deze bepaling luidt:

“Teneinde de doeltreffende uitoefening van het recht op collectief onderhandelen te waarborgen, verbinden de Partijen zich:

(…)

4. het recht van werknemers en werkgevers op collectief optreden in gevallen van belangengeschillen, met inbegrip van het stakingsrecht, behoudens verplichtingen uit hoofde van reeds eerder gesloten collectieve arbeidsovereenkomsten.”

Volgens vaste rechtspraak komt aan art. 6 onder 4 ESH in het Nederlandse recht rechtstreekse werking toe (zie o.a. HR 30 mei 1986, ECLI:NL:HR:1986:AC9402, NJ 1986/688).

Een staking die onder art. 6 onder 4 ESH valt moet in principe door derden (waaronder ook de werkgever) worden geduld als een rechtmatige uitoefening van het grondrecht dat door deze bepaling wordt beschermd. Beperkingen hieraan zijn slechts mogelijk langs de weg van art. G van het ESH, dat luidt:

“1.Wanneer de in deel I genoemde rechten en beginselen en de in deel II geregelde doeltreffende uitoefening en toepassing hiervan zijn verwezenlijkt, kunnen zij buiten de in deel I en deel II vermelde gevallen generlei beperkingen ondergaan, met uitzondering van die welke bij de wet zijn voorgeschreven en in een democratische samenleving noodzakelijk zijn voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen en voor de bescherming van de openbare orde, de nationale veiligheid, de volksgezondheid of de goede zeden.

2. De krachtens dit Handvest geoorloofde beperkingen op de daarin vermelde rechten en verplichtingen kunnen uitsluitend worden toegepast voor het doel waarvoor zij zijn bestemd.”

In de rechtspraak van de Hoge Raad is aanvaard dat de uitoefening van het stakingsrecht kan worden beperkt als een staking, gelet op de zorgvuldigheid die op grond van art. 6:162 BW in het maatschappelijk verkeer in acht moet worden genomen, in zodanige mate inbreuk maakt op de rechten van derden of algemene belangen dat beperkingen, maatschappelijk gezien, dringend noodzakelijk zijn. Het gaat hierbij om een vraag van proportionaliteit die slechts kan worden beslist door – met inachtneming van alle in het debat van partijen betrokken, voor het gegeven geval kenmerkende omstandigheden in onderling verband en samenhang – de bij de uitoefening van het grondrecht betrokken belangen af te wegen tegen die waarop inbreuk wordt gemaakt (aldus HR 21 maart 1997, ECLI:NL:HR:1997:AG3098).

Valt besmetverklaring onder ‘collectief optreden’ in art. 6 onder 4 ESH?

In deze zaak had het hof in de eerste plaats geoordeeld dat de besmetverklaring van het lossen van de schepen van klanten van Rietlanden, niet kan worden aangemerkt als een collectieve actie in de zin van art. 6 onder 4, ESH, voor zover die besmetverklaring betrekking had op werkzaamheden in (de uitoefening van) andere ondernemingen dan Rietlanden.

Dit oordeel acht de Hoge Raad onjuist. Hij stelt voorop dat de strekking van het recht op collectief onderhandelen (met het karakter van een sociaal grondrecht) geen aanleiding geeft voor een beperkte uitleg. Een werknemersorganisatie is daarom in beginsel vrij in de keuze van middelen om haar doel te bereiken. Of (nog) sprake is van een collectieve actie in de zin van deze bepaling, wordt vooral bepaald door het antwoord op de vraag of de actie redelijkerwijs kan bijdragen tot de doeltreffende uitoefening van het recht op collectief onderhandelen. Is dat het geval, dan valt de collectieve actie onder het bereik van art. 6, aanhef en onder 4, ESH. De uitoefening van het recht op collectief optreden kan dan slechts worden beperkt langs de weg van art. G ESH, overeenkomstig de rechtspraak van de Hoge Raad (die hiervóór al werd genoemd).

Ten aanzien van de besmetverklaring overweegt de Hoge Raad dat deze niet reeds buiten de reikwijdte van art. 6 onder 4 ESH valt op de grond dat de actie wordt uitgevoerd in een ander bedrijf dan dat van de werkgever. Waar het om gaat is of de besmetverklaring “redelijkerwijs kan bijdragen tot de doeltreffende uitoefening van het recht op collectief onderhandelen, en daarmee tot het actiedoel”. Dat kan bijvoorbeeld het geval zijn indien de besmetverklaring Enerco kan prikkelen druk uit te oefenen op Rietlanden, zo overweegt de Hoge Raad.

Besmetverklaring onrechtmatige inbreuk op rechten Enerco?

Omdat de klacht slaagt tegen het oordeel van het hof dat de besmetverklaring niet onder het bereik van art. 6 onder 4 ESH valt, komt de Hoge Raad toe aan de tweede pijler waarop het hof zijn oordeel had gebaseerd. Het hof had namelijk – ten overvloede – geoordeeld dat ook als de besmetverklaring in dit geval wél zou vallen onder art. 6 onder 4 ESH, deze ontoelaatbaar zou zijn wegens strijdigheid met art. G ESH. Ook dit oordeel vindt geen genade in de ogen van de Hoge Raad.

Ten eerste had het hof onder meer geoordeeld dat de bonden geen feiten en omstandigheden hadden gesteld die een rechtvaardiging voor hun handelen kunnen opleveren voor hun handelen. Daarmee miskent het hof volgens de Hoge Raad dat áls een collectieve actie valt onder het bereik van art. 6 onder 4 ESH, daarmee in beginsel sprake is van een rechtmatige uitoefening van het grondrecht. Het was daarom aan Enerco om de gestelde onrechtmatigheid te onderbouwen (en niet aan de bonden om een rechtvaardiging aan te dragen).

Daarnaast kan de enkele omstandigheid dat Enerco heeft gesteld dat zij als gevolg van de besmetverklaring aanzienlijke schade leed, niet zonder meer meebrengen dat de besmetverklaring onrechtmatig is. Uitgangspunt bij collectieve acties die onder het bereik van art. 6 onder 4 ESH vallen, is dat daarmee een zwaarwegend belang wordt gediend. Daarom had het hof niet mogen concluderen tot onrechtmatigheid, zonder nader aandacht te besteden aan de omvang van de schade, de betrokken belangen en de relevante overige omstandigheden van het geval.

Share This