Https://cassatieblog.nl maakt gebruik van cookies voor webanalyse en social media sharing. Google Analytics analyseert met behulp van cookies hoe de website wordt gebruikt. Daarnaast toont Https://cassatieblog.nl knoppen om informatie te delen op sociale media. Deze knoppen worden enkel weergegeven als u toestemming geeft cookies te plaatsen op uw computer. Meer informatie vindt u in ons privacy statement.
weigeren accepteren

De billijke vergoeding van art. 7:671c lid 2 BW

CB 2018-104 Geplaatst op 21 juni 2018 door

HR 8 juni 2018, ECLI:NL:HR:2018:878 (verzoekster / Stichting Zinzia Zorggroep)

De gezichtspunten van de New Hairstyle-beschikking voor het bepalen van de billijke vergoeding van art. 7:681 lid 1, aanhef en onder a, BW zijn ook van toepassing voor een geval als het onderhavige, waarin de billijke vergoeding is gegrond op art. 7:671c lid 2, aanhef en onder b, BW. Ook daarbij gaat het uiteindelijk erom dat de werknemer wordt gecompenseerd voor het ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever. 

Op grond van art. 7:671c lid 2, aanhef en onder b BW kan de rechter een billijke vergoeding toekennen aan een werknemer indien de ontbinding van een arbeidsovereenkomst op verzoek van de werknemer het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever. De Hoge Raad heeft in zijn beschikking van 30 juni 2017 (New Hairstyle) gezichtspunten gegeven voor de wijze waarop de billijke vergoeding dient te worden begroot (besproken in CB 2017-131). In die zaak ging het om de billijke vergoeding van art. 7:681 lid 1, aanhef en onder a, BW (kort gezegd: toekenning van een billijke vergoeding indien de werkgever de arbeidsovereenkomst in strijd met de regels van art. 7:671 BW heeft opgezegd). De Hoge Raad oordeelde onder meer dat de gevolgen van het ontslag voor de werknemer mogen meewegen bij het vaststellen van de billijke vergoeding, voor zover die gevolgen zijn toe te rekenen aan het de werkgever te maken verwijt. Maar er kan bijvoorbeeld ook rekening mee worden gehouden of de werknemer inmiddels ander werk heeft gevonden, en met de inkomsten die hij of zij daaruit geniet. Ook oordeelde de Hoge Raad dat de billijke vergoeding niet een specifiek punitief karakter heeft. Bij de vaststelling van de billijke vergoeding dient daarmee geen rekening te worden gehouden.

In de zaak die leidde tot de hier te bespreken beschikking was het cassatieberoep ingesteld vóórdat de Hoge Raad de New Hairstyle-beschikking wees. In cassatie stond vast dat de werkgever ernstig verwijtbaar had gehandeld ten aanzien van het ontslag. Enkel de hoogte van de billijke vergoeding was nog aan de orde. Het hof had die namelijk aanzienlijk naar beneden bijgesteld (ten opzichte van wat de kantonrechter eerder had toegekend). De motivering die het hof daarbij gaf was, zo klaagde de werknemer in cassatie, nogal summier.

De Hoge Raad verwijst in zijn beschikking naar de (niet-limitatieve) gezichtspunten van de New Hairstyle-beschikking. Deze zijn ook in een geval als het onderhavige van toepassing, aldus de Hoge Raad:

3.3.2 De Hoge Raad heeft in zijn beschikking van 30 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1187, NJ 2017/298 (New Hairstyle) (niet-limitatieve) gezichtspunten geformuleerd voor het bepalen van de billijke vergoeding van art. 7:681 lid 1, aanhef en onder a, BW. Ook in een geval als het onderhavige, waarin de billijke vergoeding is gegrond op art. 7:671c lid 2, aanhef en onder b, BW, gaat het uiteindelijk erom dat de werknemer wordt gecompenseerd voor het ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever.”

De rechter dient de billijke vergoeding in beginsel te bepalen op een wijze die, en op een niveau dat, aansluit bij de uitzonderlijke omstandigheden van het geval. De motivering van het oordeel dient daar inzicht in te geven. De Hoge Raad herinnert er daarbij aan dat hij in de New Hairstyle-beschikking heeft geoordeeld dat de billijke vergoeding geen punitief karakter heeft.

De Hoge Raad oordeelt vervolgens dat het hof op de door de werknemer aangevoerde omstandigheden is ingegaan en deze heeft betrokken bij het bepalen van de billijke vergoeding. Het hof mocht er daarbij rekening mee houden dat de werknemer na de ontbindingsbeschikking van de kantonrechter elders werk had gevonden. Gelet op wat daarover wel en niet was aangevoerd, kon het hof daaruit begrijpen dat de werknemer geen materiële schade had geleden als gevolg van het ernstig verwijtbaar handelen van de (ex-)werkgever. Het hof had daarom geconcludeerd dat de billijke vergoeding in dit geval enerzijds dient als compensatie voor immateriële schade en anderzijds als middel om de werkgever te wijzen op de noodzaak om zijn gedrag in eventuele volgende gevallen aan te passen. Ook dat is in lijn met de in de New Hairstyle genoemde gezichtspunten. De Hoge Raad resumeert:

3.3.6 Met het voorgaande heeft het hof in de motivering van zijn oordeel voldoende inzicht gegeven in de omstandigheden die tot zijn beslissing over de hoogte van de billijke vergoeding hebben geleid. Daarbij is van belang dat de omvang van de toe te kennen billijke vergoeding zich naar zijn aard moeilijk laat motiveren.”

Tot slot merkt de Hoge Raad nog op dat het hof niet behoefde in te gaan op de afwijking van het door de kantonrechter vastgestelde bedrag:

“3.3.6 (…) Het hof heeft, in het kader van de beoordeling van de tegen de hoogte van dat bedrag door beide partijen aangevoerde grieven, kunnen volstaan met het vaststellen van het door het hof passend geachte bedrag van de billijke vergoeding op grond van de daartoe in zijn beschikking in aanmerking genomen omstandigheden. Dat wordt niet anders door de omstandigheid dat de door het hof vastgestelde billijke vergoeding tot een aanzienlijke terugbetalingsverplichting voor [verzoekster] leidde.”

De Hoge Raad verwerpt vervolgens het cassatieberoep.

De werknemer werd in cassatie bijgestaan door Karlijn Teuben en Maarten Jansen.

email print