Https://cassatieblog.nl maakt gebruik van cookies voor webanalyse en social media sharing. Google Analytics analyseert met behulp van cookies hoe de website wordt gebruikt. Daarnaast toont Https://cassatieblog.nl knoppen om informatie te delen op sociale media. Deze knoppen worden enkel weergegeven als u toestemming geeft cookies te plaatsen op uw computer. Meer informatie vindt u in onze Privacyverklaring.
weigeren accepteren

HR herstelt onjuistheid in Mediantbeschikking en licht deze verder toe

CB 2017-73 Geplaatst op 10 april 2017 door

HR 31 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:571

De Hoge Raad herstelt een onjuistheid in de Mediantbeschikking, waarin is bepaald dat ook de Wet werk en zekerheid (Wwz) de mogelijkheid biedt een verzoek tot voorwaardelijke ontbinding van de arbeidsovereenkomst te doen voor het geval een ontslag op staande voet niet gerechtvaardigd wordt geacht. Verder overweegt de Hoge Raad dat ook de appel- of verwijzingsrechter bevoegd is de voorwaardelijke ontbinding van de arbeidsovereenkomst uit te spreken.

Achtergrond van deze zaak

Werknemer X is in 2011 bij (de rechtsvoorganger van) werkgever Vlisco in dienst getreden als heftruckchauffeur. In 2015 is hij op staande voet ontslagen.

Werknemer X heeft de kantonrechter onder meer verzocht het ontslag op staande voet op grond van art. 7:681 BW te vernietigen. Vlisco heeft daartegen verweer gevoerd en heeft een zelfstandig verzoek gedaan tot voorwaardelijke ontbinding van de arbeidsovereenkomst, indien het ontslag op staande voet door de kantonrechter wordt vernietigd.

De kantonrechter heeft Vlisco met betrekking tot het ontslag op staande voet een bewijsopdracht gegeven en heeft de arbeidsovereenkomst per 1 januari 2015 voorwaardelijk ontbonden wegens verwijtbaar handelen (art. 7:669 lid 3 sub 3 BW). De proceskosten zijn gecompenseerd.

Werknemer X heeft hoger beroep ingesteld tegen de beschikking van de kantonrechter voor zover daarin de arbeidsovereenkomst voorwaardelijk is ontbonden. Daarbij heeft hij onder meer verzocht (primair) de arbeidsovereenkomst per 1 december 2015 te herstellen en (subsidiair) een billijke vergoeding toe te kennen. Ook heeft werknemer X een proceskostenveroordeling van Vlisco verzocht, zowel in eerste aanleg als in hoger beroep.

Het hof heeft Vlisco veroordeeld per 1 december 2015 de arbeidsovereenkomst te herstellen indien de kantonrechter het ontslag op staande voet zal vernietigen. Volgens het hof had de kantonrechter de arbeidsovereenkomst ten onrechte voorwaardelijk ontbonden. Het hof heeft Vlisco veroordeeld in de proceskosten van het hoger beroep. Werknemer X heeft cassatieberoep ingesteld.

Cassatie

In cassatie bestrijdt werknemer X in de eerste plaats de mogelijkheid van voorwaardelijke ontbinding onder de Wwz en stelt dat Vlisco daarom niet-ontvankelijk had moeten worden verklaard in haar verzoek.

Het eerste onderdeel faalt. Dit onderdeel bevat dezelfde vraagstelling als die aan de orde was in een eerdere prejudiciële procedure waarin de Hoge Raad op 23 december 2016 uitspraak heeft gedaan (hierna: ‘de Mediantbeschikking’). De Hoge Raad overweegt in onderhavige zaak als volgt:

“3.3.2  De klachten falen op de gronden uiteengezet in rov. 3.4.4-3.4.6 en 3.5 van de beschikking van de Hoge Raad op 23 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2998 (Mediant). Hierin is geoordeeld dat de werkgever naar het thans geldende recht nog steeds de mogelijkheid heeft een verzoek te doen tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst voor het geval het ontslag op staande voet niet gerechtvaardigd wordt geacht. Voor een niet-ontvankelijkverklaring in een verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst voor het geval later blijkt dat een op staande voet gegeven ontslag niet de arbeidsovereenkomst heeft beëindigd, is slechts plaats in gevallen waarin de rechter op processuele gronden niet toekomt aan een behandeling van de zaak ten principale. Afgezien van dergelijke gevallen is de partij die de ontbinding verzoekt, dus in beginsel steeds ontvankelijk in haar verzoek.”

De Hoge Raad maakt vervolgens bij de bespreking van het (als zodanig voor dit blog niet zozeer van belang zijnde) tweede onderdeel gebruik van de gelegenheid om een onjuistheid in de Mediantbeschikking (eerder besproken in CB 2017-6) te herstellen. In rov. 3.13.1 van de Mediantbeschikking was immers (ten onrechte) melding gemaakt van het geval dat de appel- of verwijzingsrechter, anders dan de kantonrechter, het op staande voet gegeven ontslag zou “vernietigen”. Deze mogelijkheid bestaat echter niet, nu art. 7:683 lid 3 BW enkel voorziet in de mogelijkheden van herstel van de arbeidsovereenkomst of het toekennen van een billijke vergoeding aan de werknemer. De Hoge Raad overweegt:

  “3.6.3 (…) De desbetreffende passage moet aldus worden gelezen dat met de bevoegdheid van de appel- of verwijzingsrechter om op de voet van art. 7:683 lid 3 BW (de werkgever te veroordelen) de arbeidsovereenkomst te herstellen of aan de werknemer een billijke vergoeding toe te kennen, welke bevoegdheid hij in volle omvang moet kunnen uitoefenen, onverenigbaar is dat de kantonrechter desverlangd de voorwaardelijk verzochte ontbinding van de arbeidsovereenkomst (ook) zou uitspreken voor het geval de appel- of verwijzingsrechter, anders dan de kantonrechter, zou oordelen dat het ontslag op staande voet ten onrechte is gegeven, en hij (de werkgever veroordeelt) de arbeidsovereenkomst herstelt (te herstellen).”

 Ten overvloede overweegt de Hoge Raad vervolgens dat in de Mediantbeschikking besloten ligt dat de appel- of verwijzingsrechter bevoegd is de voorwaardelijke ontbinding van de arbeidsovereenkomst uit te spreken.

Het derde onderdeel klaagt dat het hof heeft verzuimd om een beslissing te geven over de proceskosten in eerste aanleg, welke kosten waren gecompenseerd. De Hoge Raad acht deze klacht (als enige) gegrond en doet de zaak zelf af.

De Hoge Raad vernietigt de bestreden beschikking aangaande de proceskosten, veroordeelt Vlisco in de door de Hoge Raad begrote kosten daarvan, verwerpt het beroep voor het overige en veroordeelt de werknemer in de – op nihil begrote – kosten in cassatie.

email print