Selecteer een pagina

Alle berichten met de tag: BW art. 7:683


HR 13 juli 2018, ECLI:NL:HR:2018:1209 en ECLI:NL:HR:2018:1218

Indien het hof oordeelt dat de kantonrechter een aan een werknemer gegeven ontslag op staande voet ten onrechte heeft vernietigd en het hof een toekomstige einddatum bepaalt waarop de arbeidsovereenkomst alsnog eindigt, kan aan de werknemer zijn loonaanspraak over de periode tussen de ontslagdatum en de einddatum op grond van art. 7:627 en 7:628 lid 1 BW worden ontzegd. Het arrest Van der Gulik/Vissers (HR 21 maart 2013, ECLI:NL:HR:2003:AF3057, NJ 2007/32) staat hier niet aan in de weg. De Hoge Raad formuleert uitgangspunten voor de beoordeling of aan de werknemer op grond van deze bepalingen zijn loonaanspraak moet worden ontzegd. Loonmatiging (art. 7:680a BW) of (gehele of gedeeltelijke) ontzegging van de aanspraak op loonbetaling (art. 6:248 lid 2 BW) zijn alternatieve mogelijkheden. (meer…)

HR 31 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:571

De Hoge Raad herstelt een onjuistheid in de Mediantbeschikking, waarin is bepaald dat ook de Wet werk en zekerheid (Wwz) de mogelijkheid biedt een verzoek tot voorwaardelijke ontbinding van de arbeidsovereenkomst te doen voor het geval een ontslag op staande voet niet gerechtvaardigd wordt geacht. Verder overweegt de Hoge Raad dat ook de appel- of verwijzingsrechter bevoegd is de voorwaardelijke ontbinding van de arbeidsovereenkomst uit te spreken. (meer…)

HR 23 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2998 (Stichting Mediant/X)

(1) Ook onder de WWZ kan de werkgever nog steeds een verzoek doen tot voorwaardelijke ontbinding van de arbeidsovereenkomst, voor het geval een gegeven ontslag op staande voet wordt vernietigd. (2) Het is wenselijk dat de rechter het verzoek tot vernietiging van een ontslag op staande voet en het verzoek tot voorwaardelijke ontbinding zoveel mogelijk gelijktijdig behandelt en beslist. (3) In de procedure tot voorwaardelijke ontbinding zijn de wettelijke bewijsregels in beginsel van overeenkomstige toepassing. (meer…)