HR 28 september 2012, LJN BW9867 (X/Sappi Nijmegen B.V.)

De rechter moet bij een matiging van een vordering tot doorbetaling van loon ex art. 6:248 lid 2 BW dezelfde maatstaven hanteren als in de rechtspraak voor de toepassing van art. 7:680a BW zijn ontwikkeld. Noch de duur van de procedure, noch de mate waarin deze is toe te rekenen aan de werknemer, zijn in beginsel omstandigheden die matiging kunnen rechtvaardigen.

De casus 

Een werknemer nam al lange tijd (vanaf 1975) deel aan een consignatieregeling van zijn werkgever. Deze regeling hield onder meer in dat hij om de zoveel tijd werd ingeroosterd en verplicht was op zaterdag- en zondagochtend een voortgangsvergadering bij te wonen. Daarvoor ontving hij een vaste consignatietoeslag en – indien hij daadwerkelijk werd opgeroepen tijdens een consignatiedienst – kreeg hij een overwerkvergoeding op uurbasis. Deelname van de werknemer aan de consignatieregeling werd evenwel in 2004 beëindigd in verband met – samengevat – de afwezigheid van de werknemer tijdens consignatiediensten. De vaste toeslag en de overuren die hij als uitvloeisel van zijn deelname aan de consignatieregeling ontving zijn met ingang van 15 december 2004 niet meer betaald.

De werknemer heeft vervolgens in rechte doorbetaling gevorderd van de consignatietoeslag en het gemiddeld uitbetaalde bedrag aan overuren tijdens consignatiediensten vanaf 15 december 2004 tot 1 januari 2007 en afdracht van (pre)pensioenpremies over dat bedrag. De rechtbank heeft deze vordering gedeeltelijk toegewezen. De werkgever is van deze uitspraak in hoger beroep gekomen en heeft een beroep gedaan op matiging van de loondoorbetalingsverplichting op grond van art. 6:248 lid 2 BW. Het hof heeft dit beroep op matiging gehonoreerd. Geoordeeld werd – samengevat – dat het tijdsverloop aan de zijde van de werknemer, met name tot 17 februari 2006, dusdanig lang is dat – in samenhang met de overige omstandigheden – het beroep op matiging van de werkgever slaagt. In cassatie is enkel nog aan de orde of het beroep van de werkgever op matiging van de loondoorbetalingsverplichting op grond van art. 6:248 BW terecht is gehonoreerd en de wijze waarop de matiging is doorgevoerd. Onder meer is door het middel aan de orde gesteld of bij loonmatiging op grond van art. 6:248 lid 2 BW dezelfde maatstaven gelden als bij toepassing van art. 7:680a BW.

Maatstaven voor matiging 

De Hoge Raad wijdt in zijn arrest eerst enige overwegingen aan de te hanteren maatstaf in het geval waarin sprake is van een matiging van een vordering tot doorbetaling van loon ex art. 6:248 lid 2 BW.

Volgens vaste rechtspraak is de rechter op grond van art. 6:248 lid 2 BW bevoegd om – buiten het geval van een loonvordering die is gegrond op de vernietigbaarheid van de opzegging van de arbeidsovereenkomst (art. 7:680a BW) – een vordering tot doorbetaling van loon te matigen (de Hoge Raad verwijst in dit kader naar zijn arrest van 11 juli 2008, LJN BD2408). Bij de beantwoording van de vraag of daartoe aanleiding bestaat moet de rechter volgens de Hoge Raad dezelfde maatstaven hanteren als in de rechtspraak voor de toepassing van art. 7:680a BW zijn ontwikkeld. De rechter is daarom zowel op grond van art. 6:248 lid 2 BW als op grond van art. 7:680a BW slechts bevoegd een vordering tot doorbetaling van loon te matigen indien toewijzing in de gegeven omstandigheden tot onaanvaardbare gevolgen zou leiden. Daarbij dient de rechter de terughoudendheid te betrachten die met deze maatstaf strookt en van die terughoudendheid in zijn motivering te doen blijken en dient hij alle bijzonderheden van het geval in aanmerking te nemen bij zijn oordeel omtrent de aanvaardbaarheid van de gevolgen van toewijzing van de vordering tot doorbetaling van loon (de Hoge Raad verwijst in dit kader naar HR 16 april 2010, LJN BL1532 en naar zijn hier op Cassatieblog besproken arrest van 1 juni 2012). Hieruit volgt naar het oordeel van de Hoge Raad dat voor de bevoegdheid tot matiging op grond van art. 6:248 lid 2 BW – evenals voor die tot matiging op grond van art. 7:680a BW – geldt dat noch de duur van de procedure, noch de mate waarin deze is toe te rekenen aan de werknemer, in beginsel omstandigheden zijn die matiging als hier bedoeld kunnen rechtvaardigen. Dit is slechts anders indien uitzonderlijke omstandigheden geen andere conclusie toelaten dan dat de werknemer de procedure welbewust heeft trachten te rekken en daarmee succes heeft gehad (de Hoge Raad verwijst naar HR 13 september 2002, LJN AE4291).

De Hoge Raad stelt vervolgens vast dat het oordeel van het hof dat het tijdsverloop aan de zijde van de werknemer, met name tot 17 februari 2006, dusdanig lang is dat – in samenhang met andere omstandigheden – het beroep op matiging slaagt, niet berust op de vaststelling dat integrale toewijzing van de vordering tot doorbetaling (van de consignatietoeslag) in de gegeven omstandigheden tot onaanvaardbare gevolgen zou leiden. Dit oordeel van het hof berust volgens de Hoge Raad voorts op een miskenning van de in acht te nemen terughoudendheid die strookt met de hier te hanteren maatstaf. Het (enkele) door het hof beschreven tijdsverloop aan de zijde van de werknemer kan volgens de Hoge Raad niet de conclusie dragen dat integrale toewijzing van diens vordering tot onaanvaardbare gevolgen zou leiden.

Share This