Selecteer een pagina

HR 17 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:723

Een zieke werknemer mag zijn op art. 7:660a BW berustende re-integratieverplichtingen opschorten als de werkgever het gedurende de ziekte verschuldigde loon niet betaalt of heeft betaald. Deze verplichtingen staan tegenover elkaar in de zin van art. 6:262 lid 1 BW en tussen de loonvordering van de werknemer en zijn verbintenis tot nakoming van re-integratieverplichtingen bestaat voldoende samenhang om de opschorting te rechtvaardigen in de zin van art. 6:52 lid 1 BW. 

Achtergrond

Een werkneemster – een tandartsassistente – breekt haar arm en verschijnt (afgezien van een paar dagen) niet meer op werk. Haar werkgeefster zet vervolgens twee maanden later de loondoorbetaling stop. De huisarts – en later de bedrijfsarts – achten haar op enig moment in staat om vier uur per dag te werken. De werkgeefster roept haar op om op werk te verschijnen. De werkneemster geeft hieraan geen gehoor. Zij stelt hervatting van haar werk afhankelijk van de betaling van achterstallig salaris.

De kantonrechter wijst de loonvordering van de werkneemster toe, voor zover die ziet op de periode tot het moment dat zij werd opgeroepen om op werk te verschijnen. De loonvordering wordt afgewezen voor zover het de periode daarna betreft. Het hof bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter. Daartoe overweegt het hof onder meer dat het nakomen van de re-integratieverplichtingen door de werknemer niet de tegenover de doorbetaling van het loon staande verbintenis in de zin van art. 6:262 BW is, voor zover die verbintenis ziet op reeds verstreken loonperioden. De verplichting om te verschijnen kan dus volgens het hof niet worden opgeschort om betaling te verkrijgen van reeds verstreken, en opeisbaar geworden, loontermijnen. Ook bestaat er naar het oordeel van het hof geen voldoende samenhang in de zin van art. 6:52 lid 1 BW tussen die beide verplichtingen. De werkneemster gaat in cassatie.

De werkneemster mocht haar re-integratieverplichtingen opschorten

Na een tot verwerping strekkende conclusie van A-G Drijber, oordeelt de Hoge Raad anders. De Hoge Raad stelt voorop dat de arbeidsovereenkomst een wederkerige overeenkomst is. Vervolgens leidt de Hoge Raad uit het samenstel van enkele bepalingen uit titel 10 van Boek 7 van het BW (de titel over de arbeidsovereenkomst) af dat enerzijds de verbintenis van de werkgever om loon te betalen (en dat loon binnen de in de wet bepaalde grenzen door te betalen tijdens arbeidsongeschiktheid van de werknemer) en anderzijds de verplichting van de werknemer om arbeid te verrichten (en tijdens zijn arbeidsongeschiktheid te voldoen aan re-integratieverplichtingen), tegenover elkaar staan in de zin van art. 6:262 lid 1 BW. Daaraan staat volgens de Hoge Raad niet in de weg dat de desbetreffende verplichting van de werknemer betrekking heeft op een later tijdvak dan het tijdvak waarover de werkgever zijn verbintenis tot betaling van loon niet is nagekomen.

“De werknemer is derhalve in beginsel bevoegd de nakoming van re-integratieverplichtingen op te schorten als de werkgever niet voldoet aan zijn verbintenis tot loondoorbetaling tijdens ziekte, ook als deze door de werkgever niet nagekomen verbintenis ziet op reeds verstreken loonperioden.”

Het voorgaande impliceert dat tussen de loonvordering van de werknemer en zijn verbintenis te voldoen aan re-integratieverplichtingen in beginsel eveneens voldoende samenhang bestaat om opschorting te rechtvaardigen als bedoeld in art. 6:52 lid 1 BW, aldus de Hoge Raad.

Volgt vernietiging en verwijzing.

Share This