Selecteer een pagina

HR 11 juni 2021, ECLI:NL:HR:2021:860

Deze zaak gaat (mede) over de vraag in hoeverre de rechter op grond van art. 6:103 BW Curaçao (dat gelijk is aan het Nederlandse art. 6:103 BW) bevoegd is om in hoger beroep een andere vorm van schadevergoeding toe te wijzen dan in eerste aanleg is toegewezen.

Achtergrond

Partijen in deze Caribische zaak hebben onderhandeld over de verhuur van een opstal door verzoekster tot cassatie (hierna: de strandexploitant) aan (de toen nog niet opgerichte) verweerster in cassatie onder 1 (hierna: Watersports). De huurovereenkomst met betrekking tot die opstal werd vervolgens echter niet gesloten tussen de strandexploitant en Watersports, maar tussen de strandexploitant en een betrokken derde in privé. Die derde heeft even later een concurrerend watersportbedrijf opgericht, dat een duikschool exploiteert vanuit de opstal.

Volgens het gerecht heeft de strandexploitant (hiermee) onrechtmatig gehandeld. Het gerecht heeft vervolgens de strandexploitant onder meer veroordeeld tot het (alsnog) aangaan van een huurovereenkomst met Watersports. In het door de strandexploitant ingestelde hoger beroep heeft het hof deze veroordeling tot schadevergoeding in natura vervangen door een veroordeling tot schadevergoeding op te maken bij staat.

In cassatie klaagt de strandexploitant in de kern dat het hof de veroordeling (lees: de vorm van de schadevergoeding) niet kon wijzigen zonder dat partijen dit in het principale of incidentele hoger beroep hadden verzocht.

Cassatie

Art. 6:103 BW Curaçao – dat gelijkluidend is aan de Nederlandse art. 6:103 BW – regelt de vorm waarin schadevergoeding plaatsvindt. De eerste volzin bevat de hoofdregel dat schadevergoeding wordt voldaan in geld. De tweede volzin bepaalt dat de rechter op vordering van de benadeelde een ‘schadevergoeding in andere vorm dan betaling van een geldsom’ kan toekennen. Dit wordt ook wel schadevergoeding ‘in natura’ genoemd. Zij kan zowel feitelijke handelingen als rechtshandelingen omvatten.

Het gerecht in eerste aanleg van Curaçao heeft in dit geval van deze bevoegdheid gebruikgemaakt en de strandexploitant onder meer veroordeeld een huurovereenkomst met Watersports aan te gaan.

De Hoge Raad schetst het partijdebat dat daarop in appel is gevolgd. Dit partijdebat laat volgens de Hoge Raad geen andere conclusie toe dan dat partijen in hoger beroep de door het gerecht toegewezen vorm van schadevergoeding buiten de rechtsstrijd hebben gehouden. Het stond het hof daarom niet vrij om een andere vorm van schadevergoeding in de plaats te stellen voor de door het gerecht uitgesproken veroordeling van de strandexploitant om een huurovereenkomst met Watersports aan te gaan, aldus de Hoge Raad. Hieraan doet niet af dat art. 281a Rv Curaçao bepaalt dat het hof, indien terzake geen middel is voorgesteld, ambtshalve recht kan doen:

“Uit deze bepaling volgt dat het hof bij de beoordeling van de vraag of de toewijzing door het gerecht van de vordering van Watersports c.s. voor vernietiging in aanmerking kwam, zich in beginsel niet behoefde te beperken tot een onderzoek van de aangevoerde grieven. Deze in het Curaçaose procesrecht bestaande bevoegdheid om buiten de grieven om het bestreden vonnis te vernietigen, mocht het hof evenwel niet uitoefenen buiten de grenzen van de rechtsstrijd.”

De Hoge Raad vernietigt en wijst terug naar het hof. De Hoge Raad gaat hiermee contrair aan de conclusie van A-G Rank-Berenschot.

De strandexploitant is in cassatie bijgestaan door Hans van Wijk en in feitelijke instanties door Eric de Vries en Michiel van den Brink.

Share This