HR 13 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:599, ECLI:NL:HR:2018:600 en ECLI:NL:HR:2018:602

 Het Arubaanse Wetboek van Strafvordering kent voor vergoeding van schade door toepassing van een strafvorderlijk dwangmiddel een exclusieve rechtsgang, die de weg naar de burgerlijke rechter afsluit. Nabestaanden van een overleden gelaedeerde kunnen in die rechtsgang aanspraak maken op vergoeding van door henzelf gelden materiële én immateriële schade, en in hun hoedanigheid als erfgenamen van de gelaedeerde enkel voor materiële schade van die de gelaedeerde. Voor derden, zoals genoemde nabestaanden, geldt niet de termijn van drie maanden voor de indiening van een schadeverzoek. Zij kunnen een verzoek tot schadevergoeding indienen zolang hun vordering niet naar burgerlijk recht is verjaard.

 

Achtergrond

In Aruba kent het Wetboek van Strafvordering (hierna: SvA) in de artikelen 178, 179 en 182 een regeling voor de vergoeding van schade ten gevolge van de toepassing van strafvorderlijke dwangmiddelen. Een recht op schadevergoeding kan zowel bestaan bij rechtmatige als bij onrechtmatige toepassing van een dwangmiddel. Het verzoek om schadevergoeding dient volgens de regeling te worden ingediend binnen drie maanden na de beëindiging van de zaak of de beslissing dat geen verdere vervolging zal worden ingesteld. Ten slotte is bepaald dat het gaat om een exclusieve rechtsgang voor de vergoeding van schade, die de weg naar de burgerlijke rechter afsluit.

In de onderhavige zaak gaat het om het volgende. Bij een aanhouding ter uitvoering van een rechtshulpverzoek uit de Verenigde Staten zijn door een Arubaans arrestatieteam twee verdachten gedood. De nabestaanden van deze verdachten hebben elk bij de burgerlijke rechter een verklaring voor recht gevorderd dat Aruba vanwege het optreden door het arrestatieteam onrechtmatig heeft gehandeld en daarom aansprakelijk is. Voorts hebben zij een verwijzing naar de schadestaatprocedure gevorderd voor vergoeding van alle materiële en immateriële schade die zij als gevolg van het overlijden van de verdachten lijden.

Procedure

Het gerecht in eerste aanleg van Aruba wijst de vorderingen van de nabestaanden toe. Het hof vernietigt het vonnis en verklaart de nabestaanden in hun vorderingen niet-ontvankelijk. Daartoe overweegt het hof dat de aanhouding ter uitvoering van een rechtshulpverzoek de toepassing van een strafvorderlijk dwangmiddel betreft. Voorts heeft het hof geoordeeld dat de strafvorderlijke rechtsgang in ieder geval drie maanden vanaf het overlijden van de verdachten heeft opgestaan. Ten slotte overweegt het Hof dat nu bij de civiele rechter geen schadevergoeding kan worden gevorderd, ook de gevorderde verklaring voor recht niet kan worden afgegeven.

Hoge Raad

In cassatie beoordeelt de Hoge Raad eerst de klacht dat het hof ten onrechte de bijzondere rechtsgang voor schade na strafvorderlijk optreden van toepassing heeft geacht, aangezien geen sprake zou zijn geweest van de toepassing van dwangmiddelen. Die klacht wordt verworpen. Het hof mocht oordelen dat het optreden van de politie geschiedde ter uitvoering van een rechtshulpverzoek en dat daarbij sprake was van de toepassing van een strafvorderlijk dwangmiddel, namelijk aanhouding.

Vervolgens laat de Hoge Raad zich uit over de vraag in hoeverre de nabestaanden – in de strafvorderlijke rechtsgang – aanspraak kunnen/konden maken op vergoeding van immateriële schade. Art. 179 lid 3 SvA bevat op dat punt namelijk een beperking: “Een verzoek om schadevergoeding kan ook door de erfgenamen van de gelaedeerde worden gedaan en de vergoeding kan ook aan hen worden toegekend. In dat geval blijft vergoeding van schade, die niet in vermogensschade bestaat, achterwege.” De Hoge Raad oordeelt dat die beperking niet ziet op immateriële schade die door de nabestaanden zelf is geleden:

“Voor zover nabestaanden zelf in verband met het overlijden van een ander als gevolg van de toepassing van een dwangmiddel, schade hebben geleden die niet in vermogensschade bestaat, kunnen zij, indien aan de overige vereisten voor toewijzing van die schadevergoedingsvordering is voldaan, aanspraak maken op vergoeding daarvan uit hoofde van de regeling van Titel XXII van Boek 3 SvA. Mede gelet op het uitgangspunt dat deze regeling blijkens de hiervoor weergegeven wetsgeschiedenis is bedoeld als een exclusieve rechtsgang, moet art. 179 lid 3 SvA aldus worden uitgelegd dat het slechts eraan in de weg staat dat aan nabestaanden in hun hoedanigheid van erfgenamen van een overleden gelaedeerde de door die overledene geleden schade wordt vergoed voor zover die schade niet in vermogensschade bestaat.”

Tot slot buigt de Hoge Raad zich over de termijn (van drie maanden) waarbinnen een schadeverzoek moet worden  gedaan. Eveneens met een verwijzing naar de wetsgeschiedenis en daarnaast met een beroep op een redelijke wetstoepassing, oordeelt de Hoge Raad dat die termijn alleen geldt voor de bij de toepassing van het strafvorderlijke dwangmiddel betrokken personen. Gelaedeerde derden kunnen een verzoek indienen zolang hun vordering niet naar burgerlijk recht is verjaard.

Het hof – dat zich overigens niet had uitgelaten over de vraag of de strafvorderlijke rechtsgang voor de nabestaanden nog steeds openstond – heeft de nabestaanden tegen deze achtergrond terecht niet-ontvankelijk verklaard. De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep.

Share This