HR 7 februari 2014, ECLI:NL:HR:2014:275 (La Linda N.V./Het Land Aruba)

Arubaanse zaak. Een vordering die ertoe strekt dat de belastinginspecteur de bij een belastingaanslag opgelegde boete in onvoldoende mate heeft verminderd, stuit niet af op de leer van de formele rechtskracht, als de hoogste bestuursrechter zich onbevoegd heeft verklaard over de ambtshalve vermindering van de aanslag te oordelen. Dat de oorspronkelijke aanslag inmiddels formele rechtskracht heeft gekregen, maakt dat niet anders.

Achtergrond

Op 24 augustus 2001 heeft de Arubaanse belastinginspecteur aan La Linda een aanslag opgelegd van Afl. 2.323.000,- aan winstbelasting over ambtshalve vastgestelde winst van Afl. 3.000.000,-. Daarbij is een boete opgelegd van 100% van de belasting wegens het nalaten van het doen van aangifte. La Linda is in haar bezwaar tegen deze aanslag niet-ontvankelijk verklaard bij beschikking van 29 december 2004, en heeft daartegen geen beroep ingesteld.

Op grond van artikel 54 lid 1 van de Algemene landsverordening belastingen (in werking getreden 1 maart 2004), in verbinding met artikel XI.1 van de Invoeringsverordening ALB, kan de Inspecteur de belastingplichtige die niet of niet tijdig aangifte heeft gedaan, een boete van maximaal Afl. 10.000,- opleggen.

De Inspecteur heeft op 11 januari 2006 de winstbelasting over 1999 verminderd tot Afl. 680.452,70 onder “handhaving” van de boete op 100% van het – verlaagde – aanslagbedrag. La Linda heeft tegen deze beschikking beroep ingesteld. Hangende de beroepsprocedure zou een medewerker van het belastingkantoor in een e-mail toegezegd hebben dat de boete zou worden verminderd tot Afl. 10.000. De Inspecteur heeft echter volhard bij de (herberekende) boete in de aanslag van 11 januari 2006. De Raad van Beroep  voor Belastingzaken heeft zich bij uitspraak van 12 september 2008 onbevoegd verklaard in de beroepsprocedure, omdat tegen een ambtshalve vermindering van de aanslag geen rechtsmiddelen openstaan en omdat de vermindering van de aanslag geen nieuwe beslissing omtrent de boete inhield.

Civiele procedure

La Linda heeft bij het Gerecht van eerste aanleg (onder meer) een verklaring voor recht verzocht dat de oplegging van de boete, op 11 januari 2006, onrechtmatig is. Het Gerecht heeft het verzoek afgewezen. Het Gemeenschappelijk Hof heeft het vonnis bekrachtigd, en overwoog daartoe in rov. 3.2 dat het Hof moet uitgaan van de rechtmatigheid van de ambtshalve vermindering door de Inspecteur der Belastingen van de aan La Linda opgelegde aanslag. Het Hof verenigt zich met het oordeel van het Gerecht dat de door La Linda in dit civielrechtelijke geding aangevoerde argumenten door de belastingrechter beoordeeld zijn, of ter beoordeling hadden kunnen worden voorgelegd. Dat was mogelijk in de procedure die leidde tot voornoemde beschikking van de Raad en/of in een procedure tegen de ambtshalve aan La Linda opgelegde aanslag winstbelasting van 24 augustus 2001. Datzelfde geldt volgens het Gerecht ook voor het argument dat de overheid heeft toegezegd om de opgelegde boete terug te brengen tot Afl. 10.000,-. De beweerdelijke toezegging dateert immers van 11 mei 2006. Volgens het Gerecht had dit argument aangevoerd kunnen worden in de procedure die geleid heeft tot de beschikking van de Raad, omdat het beroep blijkens de beschikking is behandeld op 2 november 2007.

Cassatie

In cassatie heeft La Linda aangevoerd dat het hof ten onrechte is uitgegaan van de formele rechtskracht van de beschikking van de Raad van Beroep van 12 september 2008, althans dat zijn oordeel onbegrijpelijk is gemotiveerd.

A-G Keus heeft dit middel gegrond geacht. De omstandigheid dat de Raad van Beroep zich onbevoegd heeft verklaard, sluit toepasselijkheid van de leer van de formele rechtskracht volgens hem uit. Wel signaleert hij dat de beschikking van de Raad van Beroep twijfel oproept, doordat de Raad de afwezigheid van rechtsmiddelen (de grond voor de onbevoegdverklaring) relateert aan de “ambtshalve vermindering” van de aanslag. A-G Keus vraagt zich af of de Raad van Beroep hier niet veeleer een niet-ontvankelijkheid van het beroep tegen een dergelijke aanslag op het oog heeft gehad, in verband met het ontbreken van een toereikend belang. Een dergelijke niet-ontvankelijkheid behoeft niet uit te sluiten dat aan de voorwaarde van een met voldoende waarborgen omklede bestuursrechtelijke rechtsgang is voldaan. Ook de overweging dat de vermindering van de aanslag geen nieuwe beslissing omtrent de boete inhoudt, roept volgens hem de vraag op of de Raad zich wel bevoegd zou hebben geacht als ambtshalve vermindering wél een dergelijke nieuwe beslissing zou hebben ingehouden. Echter, zo overweegt hij, als het hof zich door deze twijfels zou hebben laten leiden, dan had het op zijn weg gelegen nader te motiveren waarom de beschikking van de Raad van Beroep ertoe zou dwingen van de onrechtmatigheid van de ambtshalve vermindering uit te gaan.

De Hoge Raad volgt de A-G in zijn conclusie tot verwerping van het beroep. De Raad overweegt:

“De Raad van Beroep heeft zich in die beschikking [van 12 september 2008] onbevoegd verklaard op de grond dat tegen een aanslag, houdende ambtshalve vermindering, geen rechtsmiddelen openstaan. Gelet daarop kan niet worden gezegd dat tegen die beschikking een met voldoende waarborgen omklede procedure bij de Arubaanse belastingrechter heeft opengestaan. Het andersluidende oordeel van het hof getuigt dan ook van een onjuiste rechtsopvatting, zodat het bestreden vonnis dient te worden vernietigd.”

Share This