HvJ EU 7 april 2016, C-460/14, Massar/DAS) en HvJ EU 7 april 2016, C-5/15, Büyüktipi/Achmea c.s.

Het recht op vrije advocaatkeuze geldt ook voor (1) de ontslagprocedure ex art. 6 BBA en (2) de bezwaarprocedure tegen een indicatiebesluit van het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ).

Het recht op vrije advocaatkeuze

Op 7 april 2016 heeft het Hof van Justitie EU twee uitspraken gedaan met betrekking tot het recht op vrije advocaatkeuze. De uitspraken liggen in het verlengde van het arrest Das/Sneller (HvJ EU 7 november 2013, C-442/12, CB 2013-188), waarin het Hof oordeelde dat een rechtsbijstandsverzekeraar zijn verzekerde in iedere gerechtelijke procedure – ook wanneer geen sprake is van verplichte procesvertegenwoordiging – vrije advocaatkeuze moet bieden. In deze nieuwe arresten bepaalt het Hof dat dit ook geldt voor (1) de ontslagprocedure ex art. 6 BBA en (2) de bezwaarprocedure tegen een indicatiebesluit van het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ). Hiermee wordt duidelijk dat het recht op vrije advocaatkeuze ook in administratieve (voor)procedures opgaat.

Massar/DAS – ontslagprocedure bij het UWV

De eerste zaak (C-460/14) betrof een prejudiciële vraag van de Hoge Raad in het kader van een (eveneens) prejudiciële procedure ex art. 392 Rv (HR 3 oktober 2014, CB 2014-149). Massar is verzekerde van DAS Rechtsbijstand en kreeg ontslag aangezegd door zijn werkgever. De werkgever heeft de ontslagprocedure ex art. 6 BBA bij het UWV aangespannen. De vraag was vervolgens of Massar in deze ontslagprocedure aanspraak kon maken op vrije advocaatkeuze onder zijn rechtsbijstandverzekering. Het antwoord op die vraag komt aan op de vraag of deze procedure kwalificeert als “gerechtelijke of administratieve procedure” in de zin van art. 4:67 Wft en richtlijn 87/344/EG.

De Hoge Raad heeft deze vraag aan het HvJ EU voorgelegd en heeft daarbij ook een schot voor de boeg gegeven, door zelf al te overwegen de gestelde vraag “voorshands” bevestigend te beantwoorden omdat (1) uit het onderscheid dat de richtlijn maakt tussen gerechtelijke en administratieve procedures volgt dat de administratieve procedure niet noodzakelijkerwijs ten overstaan van een rechterlijke instantie behoeft plaats te vinden en (2) de strekking van de richtlijn ligt in bescherming van de belangen van de verzekerden.

Het HvJ EU beantwoordt de vraag inderdaad aldus dat het recht op vrije advocaatkeuze ook geldt voor de ontslagprocedure bij het UWV. Een van de argumenten is dat indien het begrip ‘administratieve procedures’ zo zou worden uitgelegd dat daaronder slechts gerechtelijke procedures in bestuursaangelegenheden worden begrepen, het gebruik van deze term in de richtlijn (naast het begrip ‘gerechtelijke procedures’) zinledig zou zijn. Verder hecht het HvJ EU belang aan de beschermingsgedachte van de richtlijn en merkt in dat verband op dat tegen het besluit van het UWV geen beroep openstaat en dat Massar zich in een vergelijkbare situatie bevond als Sneller, met dit verschil dat diens arbeidsovereenkomst (wel) was beëindigd in een rechterlijke procedure.

Büyüktipi/Achmea – bezwaarprocedure bij het CIZ

De tweede zaak (C-5/15) betrof een prejudiciële vraag aan het HvJ EU van het Gerechtshof Amsterdam. In die zaak heeft de verzekerde van Achmea (Büyüktipi) bezwaar ingesteld tegen een AWBZ-incidatiebesluit van het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ). Büyüktipi wenste zich te laten bijstaan door een in AWBZ-indicatiezaken gespecialiseerde advocaat en beriep zich op vrije advocaatkeuze. Achmea weigerde dit, stellende dat deze bezwaarprocedure niet kwalificeert als een gerechtelijke of administratieve procedure in de zin van richtlijn.

Het Gerechtshof te Amsterdam heeft deze kwestie bij wijze van prejudiciële vraag voorgelegd aan het HvJ EU. Het HvJ EU heeft de vraag aldus beantwoord dat het recht op vrije advocaatkeuze ook in dit geval opgaat. Het HvJ EU overweegt uitdrukkelijk dat er geen reden is om ten aanzien van het recht op vrije advocaatkeuze een differentiatie te maken tussen de voorbereidende fase en de besluitfase van een gerechtelijke of administratieve instantie. Tegen de achtergrond van de beschermingsgedachte van de richtlijn merkt het HvJ EU bovendien op dat niet kan worden betwist dat de verzekerde behoefte heeft aan rechtsbescherming in een procedure die onmisbaar is om uiteindelijk beroep te kunnen instellen bij de bestuursrechter.

Financiële gevolgen

In beide zaken wijdt het HvJ EU een overweging aan de mogelijke financiële gevolgen die rechtsbijstandsverzekeraars kunnen ondervinden van deze ruime uitleg. Het HvJ EU merkt eerst op dat voor zover deze gevolgen zich al zouden voordoen, zij geen grond kunnen zijn voor een restrictieve uitleg. Verder is, zoals ook volgt uit het arrest DAS/Sneller, niet uitgesloten dat de verzekeraar in bepaalde gevallen beperkingen stelt aan de te vergoeden kosten van rechtsbijstand.

In de zaak Massar/DAS is DAS Rechtsbijstand bijgestaan door Berend-Jan Drijber, Hans van Wijk en Kasper Jansen.

Share This