HR 14 maart 2025, ECLI:NL:HR:2025:389

Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba (hierna: hof) heeft een onbegrijpelijke uitleg gegeven aan diens tussenvonnis, omdat het hof in het eindvonnis aan algemene voorwaarden een wezenlijk andere betekenis toekent dan het hof in het tussenvonnis deed.

Daarnaast slagen verschillende andere motiveringsklachten tegen het tussen- en eindvonnis.

Achtergrond

In deze zaak procederen Corbiere Trust Company Limited en verschillende andere trustbedrijven (hierna: Corbiere c.s.) tegen de First Curaçao International Bank N.V. (hierna: FCIB) en de Centrale Bank van Curaçao en Sint Maarten (hierna: CBCS). Corbiere c.s. beheert elk één of meer trusts en hield namens deze rekeningen aan bij FCIB. In 2006 is de bankvergunning van FCIB ingetrokken, omdat rekeninghouders bij FCIB betrokken waren bij grootschalige btw-fraude. Later werd FCIB zelf ook verdacht van btw-fraude. Vervolgens is ten aanzien van FCIB de noodregeling uitgesproken en kwam FCIB onder bewind van CBCS te staan. Om het bankbedrijf af te wikkelen heeft FCIB via haar website aan haar rekeninghouders gevraagd om mee te werken aan de uitkering van hun banktegoeden. Om te voorkomen dat tegoeden die afkomstig waren uit een misdrijf zouden worden uitgekeerd, moesten rekeninghouders een uitkeringsprocedure volgen. Volgens FCIB heeft Corbiere c.s. niet (goed) meegewerkt aan deze uitkeringsprocedure en mocht zij daarom bij Corbiere c.s. extra kosten in rekening brengen.

Corbiere c.s. is het hier niet mee eens en vordert – voor zover in cassatie nog van belang – dat voor recht wordt verklaard dat FCIB niet was toegestaan (a) de maintenance fee te verhogen van USD 50,- tot USD 250,- per maand en (b) 15% aan kosten in mindering te brengen op de banktegoeden, en FCIB te gebieden de debitering van de desbetreffende bedragen ongedaan te maken en vervolgens de saldi, te vermeerderen met de contractuele rente sinds 31 juli 2006 en de wettelijke rente vanaf 14 juni 2017, uit te betalen.

Het geding bij het hof

Het hof heeft eerst tussenvonnis gewezen en uiteindelijk eindvonnis gewezen. In het tussenvonnis oordeelde het hof dat de algemene voorwaarden aldus dienen te worden uitgelegd dat FCIB bevoegd was redelijke kosten die zij in redelijkheid had gemaakt op een redelijke wijze door te belasten, althans voor zover het kosten betreft die zijn gemaakt voor het open-/aanhouden van rekeningen en ter afwikkeling en vereffening van de daarop aangehouden tegoeden. Andere kosten kunnen niet worden doorbelast. Bij deze uitleg zijn de kostenbedingen uit de algemene voorwaarden niet onredelijk bezwarend, aldus het hof in het tussenvonnis.

Het hof oordeelde in het eindvonnis dat FCIB voldoende heeft onderbouwd dat zij kosten heeft gemaakt in de orde van grootte van USD 27 miljoen. Het hof achtte het voorts redelijk (1) dat FCIB deze kosten had gemaakt en (2) dat FCIB een deel van deze kosten toe rekende aan rekeninghouders die niet meewerkten aan de uitkeringsprocedure, omdat zij de veroorzakers van de kosten waren. Tot slot achtte het hof redelijk (3) de verdelingswijze van de kosten over de diverse non-compliant rekeninghouders. In het eindvonnis heeft het hof Corbiere c.s. dan ook in het ongelijk gesteld met betrekking tot de inhouding van de maintenance fee à USD 250,- en de kosten van 15% van de banktegoeden. Het hof heeft de contractuele rente slechts toegewezen over de periode van 1 oktober 2006 tot 13 december 2006.

Het geding in cassatie

In cassatie komt Corbiere c.s. met verschillende klachten op tegen het tussenvonnis en het eindvonnis. Een deel van deze klachten slaagt.

De Hoge Raad oordeelt dat het hof in het eindvonnis aan de algemene voorwaarden een wezenlijk andere betekenis toekent dan hij in het tussenvonnis had gedaan. Waar het hof in het tussenvonnis oordeelde dat FCIB op basis van de algemene voorwaarden slechts kosten die zij heeft gemaakt voor het open-/aanhouden van de rekeningen en ter afwikkeling en vereffening van de tegoeden ten laste van de rekeninghouders kan brengen en niet ook andere kosten, oordeelt het hof in het eindvonnis dat FCIB alle door haar gemaakte kosten die zij redelijkerwijs toerekent aan het open-/aanhouden van de rekeningen en de afwikkeling en vereffening van de daarop aangehouden tegoeden, ten laste van de rekeninghouders kan brengen. De motiveringsklacht van Corbiere c.s. hierover slaagt.

Het cassatiemiddel klaagt ook over de oordelen van het hof in het eindvonnis dat FCIB voldoende heeft onderbouwd dat zij daadwerkelijk kosten heeft gemaakt in de orde van grootte van  USD 27 miljoen en dat het redelijk is dat FCIB deze kosten heeft gemaakt. Ook deze oordelen zijn volgens de Hoge Raad zonder nadere motivering onbegrijpelijk, gelet op het partijdebat en hetgeen door Corbiere c.s. hieromtrent bij antwoordakte is aangevoerd. Voorts klaagt het middel volgens de Hoge Raad terecht dat het hof niet is ingegaan op het betoog van Corbiere c.s. dat verschillende kostenposten zagen op de periode vóór april 2007, terwijl FCIB zelf tot uitgangspunt had genomen dat deze kosten niet via de kostenvergoeding van 15% in rekening mochten worden gebracht, omdat rekeninghouders nog tot maart 2007 hun banktegoeden konden ophalen. Het hof zal na terugverwijzing zelf opnieuw moeten beoordelen in hoeverre FCIB de gestelde kosten daadwerkelijk heeft gemaakt en of die kosten redelijk zijn.

Volgens de Hoge Raad is ook het oordeel van het hof in het tussenvonnis dat bekendmaking via de website van de maintenance fee en de inhouding van 15% van het tegoed niet naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar was, onbegrijpelijk. Het hof had namelijk geen kenbare aandacht besteed aan de stellingen van Corbiere c.s. dat:

  • de website in de jaren na 2006 geen gebruikelijk communicatiemiddel was en nauwelijks was bijgewerkt;
  • FCIB eenvoudig haar cliënten direct en gericht per e-mail of post had kunnen informeren over de plicht de gegevens aan te leveren en over de consequenties van het uitblijven van die gegevens;
  • de gevolgen van niet-raadpleging van de berichtgeving voor FCIB aanzienlijk waren, mede door de korte termijn.

Eveneens onbegrijpelijk is volgens de Hoge Raad het oordeel van het hof in het tussenvonnis dat FCIB na de intrekking van haar bankvergunning en het uitspreken van de noodregeling zelf geen inkomsten meer kon en mocht genereren. Volgens de Hoge Raad heeft het hof ook hier geen kenbare aandacht besteed aan bepaalde stellingen van Corbiere c.s., namelijk dat:

  • FCIB rente en aflossingen incasseerde en andere activiteiten ondernam waarvoor geen bankvergunning was vereist;
  • banken over het algemeen juist winstgevend zijn in de afwikkelingsfase;
  • FCIB in de jaren na 2006 winstbelasting zou hebben betaald;
  • de gemaakte winst ook was opgenomen in het door FCIB overlegde kostenoverzicht.

Tot slot oordeelt de Hoge Raad dat ook het oordeel van het hof in het tussenvonnis dat FCIB de uitkomst van de door Corbiere c.s. aanhangig gemaakt beklagprocedure mocht afwachten (zodat in zoverre geen wettelijke rente is verschuldigd), onbegrijpelijk is. Volgens de Hoge Raad heeft het hof opnieuw geen kenbare aandacht besteed aan diverse stellingen van Corbiere c.s., zoals de stellingen dat:

  • er in juli 2021 al geen bezwaren meer bestonden tegen de uitkering van de tegoeden van Corbiere c.s.;
  • FCIB zelf verdacht werd van witwassen;
  • de activa van FCIB waren beslagen en niet de tegoeden van Corbiere c.s.;
  • FCBI die tegoeden dus al eerder had moeten teruggeven.

De Hoge Raad vernietigt zowel het tussenvonnis als het eindvonnis van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie en verwijst het geding terug naar het Gemeenschappelijk Hof van Justitie ter verdere behandeling en beslissing, een en ander conform de conclusie van A-G Assink.

Share This

Cassatieblog.nl