HR 28 november 2014, ECLI:NL:HR:2014:3460 (mr. Snippers q.q./Rabobank)

(1) Afstand van een bij de overdracht van een zaak voorbehouden eigendom wordt gedaan door een daartoe strekkende overeenkomst met de wederpartij. (2) Voor bekrachtiging ex art. 3:58 BW is voldoende dat de onmiddellijk belanghebbenden zich niet – in het tijdvak tussen het verrichten van de rechtshandeling en de vervulling van een voor haar geldigheid gesteld wettelijk vereiste – op de nietigheid van de handeling hebben beroepen of zich hebben gedragen op een wijze die onverenigbaar is met de geldigheid van de desbetreffende rechtshandeling.

Het geschil

De curator van het failliete Houtindustrie Fecken B.V., mr. Terng, heeft onder eigendomsvoorbehoud roerende zaken verkocht aan Tatra Woods Corporation B.V. De koopprijs is onbetaald gebleven. Enkele maanden later, op 2 november 2007, is Rabobank met Tatra overeengekomen dat deze zaken aan de bank in vuistpand worden gegeven. Op 23 november 2007 maakt mr. Terng q.q. bij Rabobank aanspraak op de onder eigendomsvoorbehoud geleverde zaken. Enkele dagen later spreken Rabobank en mr. Terng q.q. af dat uit de executie-opbrengst van de zaken een bedrag zou worden voldaan aan de boedel van Fecken. Begin december zijn de betreffende zaken door Rabobank geveild. Op 18 december 2007 wordt Tatra failliet verklaard. Op 29 januari 2008 schrijft mr. Terng aan Rabobank dat “de boedel bereid [is] af te zien van een beroep op haar eigendomsvoorbehoud, op voorwaarde dat de restantkoopsom (…) wordt voldaan”.

In deze procedure heeft de curator van Tatra, mr. Snippers, schadevergoeding van Rabobank gevorderd. Daartoe heeft hij aangevoerd dat de executieverkoop onrechtmatig was, nu Rabobank niet beschikte over een (vuist)pandrecht. Ten tijde van de vestiging van het pandrecht was Tatra (als gevolg van het eigendomsvoorbehoud) namelijk niet bevoegd over de betreffende zaken te beschikken. De boedel heeft hierdoor schade geleden, aangezien de curator – nu het eigendomsvoorbehoud al grotendeels was “volgelopen” – de gekochte zaken door een kleine betaling voor de boedel had kunnen verwerven.

Rabobank heeft als verweer gevoerd dat de curator van Fecken eind november 2007 afstand heeft gedaan van het eigendomsvoorbehoud, waardoor het voordien gevestigde pandrecht alsnog – door bekrachtiging (art. 3:58 BW) – tot stand is gekomen.

Het hof heeft het verweer van Rabobank gevolgd. Het hof leidt uit de correspondentie tussen Rabobank en mr. Terng af dat laatstgenoemde afstand heeft gedaan van het eigendomsvoorbehoud. Vervolgens oordeelt het hof dat alle onmiddellijk belanghebbenden het in vuistpand geven “daarmee” als geldig hebben aangemerkt, zodat Rabobank op grond van art. 3:58 BW alsnog een geldig vuistpand heeft verkregen. In cassatie bestrijdt de curator deze (en enige andere) schakels in de redenering van het hof.

Afstand van eigendomsvoorbehoud

Bij de beoordeling van de klachten stelt de Hoge Raad voorop dat afstand van een bij de overdracht van een zaak voorbehouden eigendom wordt gedaan door een daartoe strekkende overeenkomst met de wederpartij. Het hof heeft dit echter niet miskend, nu het heeft geoordeeld dat Rabobank in zijn correspondentie met de verkoper onder eigendomsvoorbehoud (mr. Terng) optrad namens die wederpartij (Tatra). Het daarin besloten liggende oordeel dat een afstand van recht ook door een daartoe bevoegd vertegenwoordiger kan worden aanvaard, is juist. De Hoge Raad voegt hier nog aan toe dat afstand tegenover een (belanghebbende) derde – zoals in casu de bank – niet voldoende is, zoals Rabobank onder verwijzing naar HR 22 februari 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC4866 (Music Store/Bouma q.q.) had bepleit:

“In dat arrest is niet aangenomen dat afstand van het eigendomsvoorbehoud kon worden gedaan tegenover een derde, maar is ervan uitgegaan dat beide bij het eigendomsvoorbehoud betrokken partijen – [C] en MSD – naast een derde – de bank – waren betrokken bij de gedraging die in het arrest als afstand van het eigendomsvoorbehoud is aangemerkt.”

Wat betreft het oordeel van het hof dat uit de correspondentie tussen Rabobank en mr. Terng volgt dat daadwerkelijk afstand is gedaan van het eigendomsvoorbehoud, overweegt de Hoge Raad dat dit (feitelijke) oordeel niet onbegrijpelijk is. Klaarblijkelijk heeft het hof bedoeld, aldus de Hoge Raad, dat mr. Terng bezwaarlijk kon toestemmen in de executoriale verkoop van de zaken zonder afstand te doen van het eigendomsvoorbehoud. De verwijzing naar het eigendomsvoorbehoud in de e-mail van 29 januari 2009 maakt dat niet anders, aangezien deze e-mail de kennelijk strekking heeft nadere afspraken over de betaling te maken.

Bekrachtiging

Vervolgens gaat de Hoge Raad in op de klacht dat het hof heeft miskend dat voor bekrachtiging vereist is dat alle onmiddellijk belanghebbenden de ongeldige handeling als geldig hebben aangemerkt in de tussen de handeling en de vervulling van het geldigheidsvereiste liggende tijdsruimte. Mr. Terng had zich in de periode tussen de verpanding en de afstand van het eigendomsvoorbehoud – door welke laatste handeling het beschikkingsbevoegdheidsvereiste in vervulling was gegaan – immers op dat voorbehoud beroepen, wat impliceert dat hij het vestigen van het vuistpandrecht (toen) niet als geldig aanmerkte, aldus de curator. De Hoge Raad verwerpt deze klacht en stelt daarbij met betrekking tot art. 3:58 BW het volgende voorop:

“3.6.2 Onderdeel 5.1 berust klaarblijkelijk op de rechtsopvatting dat een rechtshandeling (in dit geval: de overdracht, zie Parl. gesch. Boek 3 (Inv. 3, 5 en 6), p. 1176 onder 3) door de onmiddellijk belanghebbenden die zich op het gebrek hadden kunnen beroepen slechts in de zin van art. 3:58 lid 1 BW als geldig kan zijn aangemerkt door een daarop gerichte, of daartoe strekkende, uitlating, handeling of gedraging. Deze rechtsopvatting is onjuist. Zoals valt af te leiden uit het voorbeeld dat is gegeven in de MvA II, Parl. Gesch. Boek 3, p. 249, eerste volle alinea, en past bij het streven van de wetgever om in de sinds 1992 geldende wet nietigheden en de gevolgen daarvan terug te dringen, is in dit verband voldoende dat deze onmiddellijk belanghebbenden zich niet – in het tijdvak tussen het verrichten van de rechtshandeling en de vervulling van een voor haar geldigheid gesteld wettelijk vereiste – op de nietigheid hebben beroepen of zich hebben gedragen op een wijze die onverenigbaar is met de geldigheid van de desbetreffende rechtshandeling.”

Vervolgens concludeert de Hoge Raad dat niet onbegrijpelijk is dat het hof in casu heeft geoordeeld dat van een dergelijke onverenigbaarheid geen sprake was:

“3.6.3 (…) De omstandigheid dat mr. Terng in zijn e-mail van 23 november 2007 aan Rabobank het bestaan van het eigendomsvoorbehoud onder de aandacht heeft gebracht, is naar het kennelijke oordeel van het hof niet onverenigbaar ermee dat het pandrecht van die bank als geldig is aangemerkt. Dit oordeel is niet onbegrijpelijk omdat die omstandigheid niet uitsluit dat dit eigendomsvoorbehoud later alsnog is prijsgeven, en de e-mail van 23 november 2007 daarvoor juist de weg heeft geopend. Mr. Terng stuurde daarmee immers aan op het overleg met Rabobank dat resulteerde in de in de e-mail van 26 november 2007 neergelegde afspraken die – naar de uitleg van het hof – mede een dergelijke afstand behelsden.”

De slotsom is dat door afstand van het eigendomsvoorbehoud en bekrachtiging een geldig pandrecht tot stand is gekomen, zodat de door Rabobank georganiseerde executieverkoop niet onrechtmatig was.

Beschikken over “voorwaardelijke eigendom”?

Terzijde wordt opgemerkt dat in deze zaak niet is geoordeeld over de – belangwekkende – vraag of de koper onder eigendomsvoorbehoud goederenrechtelijk kan beschikken over zijn eigendomsverwachting. In de literatuur worden verschillende constructies bepleit op grond waarvan zulks mogelijk zou zijn, zoals die van het beschikken over een “Anwartschaftsrecht” (naar Duits voorbeeld) of over “voorwaardelijke eigendom” (zie bijv. A.H. Scheltema, MvV 2013/6, p. 155-164). Anderen daarentegen verwerpen deze constructies op de grond dat zij neer lijken te komen op de aanvaarding van een buitenwettelijk goederenrechtelijk recht (zie bijv. R.M. Wibier, MvV 2013/10, p. 286-290). Zie over de diverse constructies en de daaraan klevende bezwaren Reehuis, Eigendomsvoorbehoud (Mon. BW nr. B6c) 2013/75-79, die in § 79 een tussenoplossing verdedigt, namelijk die van het beschikken onder dezelfde opschortende voorwaarde als waaronder de koper de zaak overgedragen heeft gekregen.

De curator is in cassatie bijgestaan door Sikke Kingma en de auteur.

Share This