HR 24 februari 2012, LJN ECLI:NL:HR:2012:BV0472

Een in het kader van een reconstructie gemaakte administratieve vergissing van het Kadaster of de Reconstructiecommissie, waardoor erfdienstbaarheden zijn vervallen en waarbij geen rechten en belangen van derden in het geding zijn, moet worden hersteld, ondanks dat tegen het verval een met voldoende waarborgen omklede procedure heeft opengestaan die niet is benut. Dat vloeit hier volgens de Hoge Raad voort uit de redelijkheid en billijkheid, maar herstel kan ook worden toegewezen op grond van ongerechtvaardigde verrijking.

X en haar man hebben in 1983 een groot deel (A) van een aan hun (schoon)ouders toebehorend perceel gekocht. Dit deel is toen belast met erfdienstbaarheden van weg ten gunste de buurpercelen van de broers van X. Op grond van de Reconstructiewet Midden-Delfland (Rw.) hebben in het gebied ingrijpende zakenrechtelijke wijzigingen plaatsgevonden. Die hebben er echter niet toe geleid dat de eigendomsverhoudingen en rechten met betrekking tot de percelen materieel zijn veranderd. Toch zijn in het op basis van de Rw. opgemaakte plan van toedeling en de daarop volgende akte van toedeling van 23 juni 2006 de hiervoor onder genoemde erfdienstbaarheden niet opgenomen. De secretaris van de Reconstructiecommissie heeft aangegeven dat de erfdienstbaarheden door een fout van het Kadaster of van de Reconstructiecommissie niet zijn meegenomen in het plan en de akte van toedeling, waardoor de erfdienstbaarheden van weg zijn vervallen. X en haar man hebben niet willen meewerken aan het opnieuw vestigen van de erfdienstbaarheden en evenmin aan het treffen van een regeling waarin wordt voorzien in een vergelijkbare uitweg. Zij hebben een hek geplaatst zodat de oorspronkelijke door de erfdienstbaarheden geregelde uitweg niet meer bruikbaar was. Naar aanleiding van een uitspraak in kort geding is dit hek verwijderd.

De broers en de moeder vorderen in dit geding primair een verklaring voor recht dat de erfdienstbaarheden nog steeds bestaan, subsidiair dat X en haar man worden veroordeeld mee te werken aan het vestigen van nieuwe erfdienstbaarheden, en meer subsidiair dat X en haar man worden veroordeeld de broers een uitweg te verschaffen over het oorspronkelijk aangewezen tracé dan wel dat voor recht wordt verklaard dat sprake is van een buurweg in de zin van art. 719 (oud) BW. Het hof heeft de subsidiaire vordering tot meewerking aan het vestigen van nieuwe erfdienstbaarheden toegewezen.

De Hoge Raad verwerpt het door X en haar man ingestelde cassatieberoep. De Rw. kent een regeling die vergelijkbaar is met die van de Ruilverkavelingswet 1954 en de latere Landinrichtingswet. In het (na het arrest van het hof gewezen) arrest van 24 september 2010, LJN ECLI:NL:HR:2010:BM9600 is door de Hoge Raad beslist dat deze laatste wet een met procedurele waarborgen omkleed gesloten stelsel van vergoedingen kent en dat naast dat stelsel geen plaats is voor een algemene vordering uit ongerechtvaardigde verrijking. De in de Landinrichtingswet opgenomen termijnen dienen ertoe om binnen korte tijd het proces van ruilverkaveling onherroepelijk te kunnen afronden door middel van een onaantastbare vaststelling van de rechten op in de ruilverkaveling betrokken percelen. Behoudens bijzondere gevallen, is daarmee niet te verenigen dat een vordering op grond van ongerechtvaardigde verrijking zou kunnen worden ingesteld. Dit geldt naar het oordeel van de Hoge Raad ook voor de reconstructie op grond van de Rw. en daarom is naast het stelsel van die wet evenmin plaats voor een algemene vordering uit ongerechtvaardigde verrijking.

In deze zaak doet zich volgens de Hoge Raad echter het bijzondere geval voor:

(a) dat zich bij de reconstructie geen wijzigingen hebben voorgedaan in de eigendomsverhoudingen en rechten met betrekking tot de betrokken percelen, behoudens dat de erfdienstbaarheden zijn vervallen,

(b) dat echter vaststaat dat het niet opnemen van die erfdienstbaarheden op een administratieve vergissing van het Kadaster dan wel de Reconstructiecommissie heeft berust, en

(c) dat dus vaststaat dat voor het niet opnemen van de erfdienstbaarheden geen reden bestond die het verval daarvan in het kader van de reconstructie kon rechtvaardigen, en dus ook aannemelijk is dat indien genoemde fout niet zou zijn gemaakt, de erfdienstbaarheden bij de reconstructie opnieuw zouden zijn gevestigd.

De Hoge Raad acht gelet daarop een uitzondering op de door hem geformuleerde regel geïndiceerd: 

“4.4.3 (…) In een dergelijk bijzonder geval komt de toewijzing van een vordering tot herstel van de erfdienstbaarheden, zoals hier door het hof uitgesproken, niet in strijd met het gesloten stelsel van de wet. Die vordering betreft immers niet een heropening van (het debat over) de verdeling en vaststelling van rechten en aanspraken in het kader van de reconstructie en doorkruist het wettelijk stelsel niet. Het gaat slechts om de correctie achteraf van een vaststaande, onmiskenbare fout, waarbij duidelijk is, door genoemde bijzondere omstandigheden van het geval, hoe de vaststelling van rechten zou zijn geweest indien die fout niet zou zijn begaan, en waarbij de correctie alsnog leidt tot het resultaat waartoe die vaststelling zou hebben geleid. Die correctie betreft dezelfde partijen als ten aanzien van wie de fout is gemaakt en speelt zich uitsluitend tussen hen af. Rechten en belangen van derden zijn niet in het geding.” 

De Hoge Raad oordeelt dat het herstel kan worden gegrond op de redelijkheid en billijkheid, maar ook op ongerechtvaardigde verrijking:

“4.4.4 In genoemd bijzonder geval bestaat op herstel ook zonder meer aanspraak. Die aanspraak vloeit reeds voort uit de eisen van redelijkheid en billijkheid die de rechtsverhouding beheersen die bestaat tussen de eigenaren van de percelen die zijn betrokken bij de – ten onrechte vervallen – erfdienstbaarheden. De vordering tot herstel kan ook worden toegewezen bij wege van schadevergoeding in andere vorm dan betaling van een geldsom als bedoeld in art. 6:103 BW, op grond van ongerechtvaardigde verrijking, op welke grond het hof haar heeft toegewezen.” 

Het hof heeft naar het oordeel van de Hoge Raad de rechtsgronden op juiste wijze ambtshalve aangevuld, door te oordelen dat de gestelde feiten aanleiding gaven voor een onderzoek naar de vraag of sprake was van ongerechtvaardigde verrijking. Volgens de Hoge Raad is voor ambtshalve aanvulling van rechtsgronden door de rechter noodzakelijk, maar ook voldoende, dat een partij zodanige feitelijke stellingen aan zijn vordering ten grondslag legt dat deze toewijzing van de vordering kunnen rechtvaardigen op de door de rechter bij te brengen rechtsgrond. Daarbij mogen de feitelijke stellingen eventueel in onderling verband en samenhang worden bezien, mits voor zowel de rechter als de wederpartij duidelijk genoeg is dat de desbetreffende stellingen (mede) in die samenhang of dat verband ten grondslag worden gelegd aan de vordering.

Share This