HR 18 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2743

De theoretische mogelijkheid dat ook een huurder feitelijke macht over een strook grond kon uitoefenen, leidt nog niet tot ontkennende beantwoording van de vraag of deze strook in bezit is genomen. Die mogelijkheid is pas van belang als er aanwijzingen waren om de machtsuitoefening ook daadwerkelijk als die van een huurder aan te merken.

De casus: langdurig gebruik van gemeentegrond

Eisers tot cassatie zijn sinds 1989 eigenaar van een bungalow. Wanneer zij de bungalow in 2010 willen verkopen blijkt dat de gemeente in het Kadaster als eigenaar staat vermeld van drie aangrenzende stroken grond (in cassatie is enkel nog de eigendom van één strook grond aan de orde). Eisers, die stellen 20 jaar lang de stroken grond te hebben onderhouden en gebruikt, vorderen bij de rechtbank een verklaring voor recht dat de rechtsvordering van de gemeente tot revindicatie van de grond is verjaard, en veroordeling van de gemeente tot medewerking aan de levering ervan. De gemeente vordert in reconventie ontruiming van de grond. De rechtbank oordeelde dat het ervoor moet worden gehouden dat eisers de strook grond sinds 1989 in bezit hadden, waardoor de rechtsvordering tot revindicatie van de gemeente is verjaard en eisers de grond in eigendom hebben verkregen.

Hof: geen pretentie van eigendom

In hoger beroep was de vraag aan de orde of eisers door bevrijdende verjaring (artikel 3:105 BW) eigenaar van de grond waren geworden. Het hof overwoog dat voor een geslaagd beroep op extinctieve verjaring is vereist dat een niet-rechthebbende bezitter is geworden, de rechtsvordering van de eigenaar tot beëindiging van dat bezit is verjaard, en degene die het beroep op extinctieve verjaring doet bezitter is op het moment van verjaring van de rechtsvordering. Het hof overwoog vervolgens dat bezit (artikel 3:107 BW) wordt verkregen door inbezitneming op zodanige wijze dat men zich de feitelijke macht over het goed verschaft met de pretentie om rechthebbende te zijn. Daarvoor is, aldus het hof, niet voldoende dat een nummerbord op de grond is geplaatst of een pad is aangelegd. Het hof volgde daarmee de gemeente in haar verweer dat ook een huurder een stenen nummerbord kan plaatsen en een pad kan aanleggen.

Hoge Raad: hof heeft onjuiste maatstaf aangelegd

In cassatie klagen eisers, onder meer, dat het hof ten onrechte voor bezitsverkrijging een vergelijking heeft gemaakt met de feitelijke macht die wordt uitgeoefend als huurder. Bij het beoordelen van deze klacht stelt de Hoge Raad voorop (r.o. 3.4.2) dat voor beantwoording van de vraag of iemand een zaak in bezit heeft genomen, bepalend is of hij de feitelijke macht over die zaak is gaan uitoefenen (artikel 3:113 lid 1 BW). Indien een zaak in het bezit van een ander is, zijn enkele op zichzelf staande machtsuitoefeningen hiervoor onvoldoende (artikel 3:113 lid 2 BW), maar moet sprake zijn van een zodanige machtsuitoefening dat deze naar verkeersopvatting het bezit van de oorspronkelijke bezitter teniet doet. Het antwoord op deze vraag wordt bepaald naar verkeersopvatting en op grond van uiterlijke feiten (artikel 3:108 BW). Zoals de A-G Rank-Berenschot in haar conclusie opmerkt gaat het hierbij om een objectieve maatstaf, waarbij het primair aankomt op uiterlijke omstandigheden waaruit naar verkeersopvattingen een wilsuiting kan worden afgeleid om als rechthebbende op te treden (nr. 2.4.5 van de conclusie). Op basis van dit uitgangspunt overweegt de Hoge Raad dat het hof een onjuiste maatstaf heeft aangelegd (r.o. 3.4.3), omdat de theoretische mogelijkheid dat ook een huurder door het plaatsen van een stenen bord en het aanleggen van een pad de feitelijke macht over de bewuste strook grond kon uitoefenen, nog niet leidt tot ontkennende beantwoording van de vraag of eisers deze strook in bezit hadden genomen. Die mogelijkheid wordt immers pas van belang indien er objectieve aanwijzingen zijn om de machtsuitoefening van eisers ook daadwerkelijk als die van een huurder aan te merken (de gemeente had zich daarop niet beroepen). De A-G Rank-Berenschot merkt hierover meer in het algemeen het volgende op:

“2.9 (…) Anders gezegd: verkrijgende verjaring moet alleen uitgesloten worden geacht indien de eigenaar in de verdedigbare veronderstelling verkeert dat de persoon die zijn onroerende zaak gebruikt dit doet als zakelijk of persoonlijke gerechtigde. Dat is niet het geval indien de (objectieve) eigenaar geen enkele reden heeft om te denken dat de occupant als huurder, erfpachter etc. gebruik maakt van zin grond. Wanneer vaststaat dat de vermeende bezitter niet krachtens een al dan niet bestaande rechtsverhouding voor een ander houdt, kunnen bepaalde daden derhalve niet als bezitsdaden diskwalificeren op de enkele grond dat deze in het algemeen ook door een persoonlijk of beperkt gerechtigde bevoegdelijk zouden kunnen worden verricht. Een en ander brengt mij tot de conclusie dat het bezit alleen ondubbelzinnig kan zijn indien naar verkeersopvatting (c.q. voor de objectieve rechthebbende) enige aanleiding bestaat voor de aanname dat bij het uitoefenen van de feitelijke machtsuitoefening over het goed ook kan worden gehandeld krachtens een al dan niet vermeend beperkt of persoonlijk recht.”

De Hoge Raad vernietigt het arrest van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch en verwijst de zaak naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden voor verdere behandeling.

Share This