Https://cassatieblog.nl maakt gebruik van cookies voor webanalyse en social media sharing. Google Analytics analyseert met behulp van cookies hoe de website wordt gebruikt. Daarnaast toont Https://cassatieblog.nl knoppen om informatie te delen op sociale media. Deze knoppen worden enkel weergegeven als u toestemming geeft cookies te plaatsen op uw computer. Meer informatie vindt u in ons privacy statement.
weigeren accepteren

Tenietgaan pandrecht door verjaring van gezekerde vordering naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar

CB 2014-189 Geplaatst op 04 december 2014 door

HR 28 november 2014, ECLI:NL:HR:2014:3463 (eiseressen / Delta Lloyd)

Een beroep op verjaring van een aan een pandrecht onderliggende vordering kan onder omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zijn. Het komt daarbij aan op een waardering van alle omstandigheden van het geval in het licht van de aard en de strekking van art. 3:323 BW.

Art. 3:323 lid 1 BW bepaalt dat door de voltooiing van de verjaring van de rechtsvordering tot nakoming van een verbintenis het pand- of hypotheekrecht dat tot zekerheid van die verbintenis strekt teniet gaat. Uit de wetsgeschiedenis van deze bepaling, waarnaar de Hoge Raad in deze zaak verwijst, blijkt dat aan het artikel de gedachte ten grondslag ligt dat in de bedoelde gevallen een tenietgaan van het zekerheidsrecht redelijk is omdat dan sprake is geweest van een stil zitten van de schuldeiser: van een schuldeiser mag worden verwacht dat hij tijdig tot aanmaning of inning overgaat, ook als hij een zekerheidsrecht had bedongen. Onder omstandigheden kunnen echter de  redelijkheid en billijkheid aan een beroep op het artikel in de weg staan. Bij de beoordeling hiervan moeten alle omstandigheden van het geval in het licht van de aard en strekking van de bepaling worden betrokken. 

De casus: pandrecht op aandelen

In de voorliggende zaak rustte een pandrecht op aandelen. Eiseressen zijn aandeelhouder (geweest) van A BV en B BV. Zij hadden aan Delta Lloyd een derdenpandrecht verstrekt op aandelen B tot zekerheid van betalingsverplichtingen van A uit een geldleningsovereenkomst jegens Delta Lloyd. Nadat A in verzuim was geraakt met het nakomen van haar betalingsverplichtingen, heeft de voorzieningenrechter in 2001 op vordering van Delta Lloyd (art. 3:251 BW) bepaald dat de in pand gegeven aandelen aan haar zouden verblijven, op voorwaarde dat zij de in de statuten van B opgenomen aanbiedingsregeling zou naleven. Korte tijd later is B ontbonden, waarbij het aan eiseressen toekomende deel van het liquidatiesaldo naar de rekening van een stichting is overgemaakt. Eiseres heeft vervolgens geweigerd om de stichting volmacht te verlenen voor het overdragen aan Delta Lloyd van de uit de verkoop van het belang in B vrijgekomen middelen.

In de onderhavige procedure vorderen eiseressen een verklaring voor recht dat het ten behoeve van Delta Lloyd gevestigde pandrecht teniet is gegaan en dat zij gerechtigd zijn tot het liquidatiesaldo. Zij hebben aan deze vordering ten grondslag gelegd dat het pandrecht van Delta Lloyd op de aandelen, dat op grond van artikel 3:229 BW door substitutie is komen te rusten op de vordering van eiseressen tot betaling van het liquidatiesaldo, is tenietgegaan door voltooiing van de verjaring van de onderliggende vordering (art. 3:323 lid 1 BW). Delta Lloyd heeft in reconventie onder meer aangevoerd dat het beroep van eiseressen op verjaring van de vordering naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.

Het oordeel van de Hoge Raad

De rechtbank wees de vorderingen van eiseressen af, verklaarde voor recht dat Delta Lloyd als pandhouder inningbevoegd en rechthebbende is ten aanzien van het liquidatiesaldo, en veroordeelde eiseressen tot medewerking aan de inning van dit saldo. Het hof bekrachtigde dit vonnis. In cassatie stond vervolgens centraal het beroep dat eiseressen als pandgever hadden gedaan jegens Delta Lloyd als pandhouder op verjaring van de gezekerde vordering.

De Hoge Raad stelt vast dat in cassatie tot uitgangspunt moet dienen dat Delta Lloyd enkel een aanvang met de executie heeft gemaakt (met het verzoek op grond van art. 3:251 lid 1 BW), maar dat de executie, bij gebrek aan eigendomsoverdracht van de aandelen dan wel uitkering van het liquidatiesaldo na de ontbinding van B, niet is voltooid. Ook moet veronderstellenderwijs van de verjaring van de onderliggende vordering (van Delta Lloyd op A uit hoofde van overeenkomst) worden uitgegaan, zodat de vraag of de ingezette executie en wat nadien nog tussen partijen is voorgevallen de verjaring heeft gestuit, niet aan de orde is.

Zoals gezegd, bepaalt artikel 3:232 lid 1 BW dat het pandrecht tenietgaat als de rechtsvordering terzake van de gezekerde vordering verjaart, maar  een beroep op verjaring van de gezekerde vordering kan onder omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zijn. De Hoge Raad merkt op dat dit verweer van Delta Lloyd in wezen ook de onaanvaardbaarheid van het inroepen van het rechtsgevolg van de verjaring betreft, namelijk het tenietgaan van het pandrecht (r.o. 3.8.1). Na het bespreken van de wetsgeschiedenis van artikel 3:232 lid 1 BW (zie de inleiding hierboven) overweegt de Hoge Raad vervolgens:

“3.8.3 De beoordeling of redelijkheid en billijkheid aan een beroep op het in art. 3:232 lid 1 BW bedoelde rechtsgevolg in de weg staan, vergt een beoordeling van alle omstandigheden van het geval in het licht van de aard en strekking van die bepaling. Het door de schuldeiser niet tijdig gestuit zijn van de verjaring van de gezekerde vordering is daarbij een mee te wegen omstandigheid, maar behoeft, afhankelijk van de overige omstandigheden, niet aan een beroep op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid in de weg te staan.”

Het hof had bij zijn oordeel in aanmerking genomen dat eiseressen in elk geval vanaf 2001 ervan op de hoogte waren dat Delta Lloyd tot executie van het pandrecht wilde overgaan, dat zij geen enkele valide reden naar voren hebben gebracht waarom zijn niet hebben ingestemd met de uitbetaling aan Delta Lloyd van het liquidatiesaldo (waarop bij wege van substitutie het pandrecht was komen te rusten), en dat hun gebrek aan medewerking geleid heeft tot vertraging van de uitbetaling van dit saldo. Daarnaast heeft het hof kennelijk, aldus de Hoge Raad (r.o. 3.9.2), mede in aanmerking genomen de bijzondere omstandigheden van dit geval, in het bijzonder de navolgende:

  • voor eiseressen was vanaf 2001 (indiening van het verzoekschrift van Delta Lloyd) duidelijk dat de door het pandrecht gewaarborgde vordering niet was voldaan en dat Delta Lloyd tot uitwinning wenste over te gaan (bovendien kwam Delta Lloyd na toewijzing van haar verzoek in de positie te verkeren als had zij de verpande aandelen executoriaal geveild);
  • na het ontbindingsbesluit van B kon Delta Lloyd verhaal nemen op het liquidatiesaldo, als pandhouder of als aandeelhouder, nu de door de voorzieningenrechter gestelde voorwaarde (het naleven van de aanbiedingsregeling) iedere betekenis had verloren;
  • Delta Lloyd heeft dit inderdaad, middels diverse procedures, proberen te doen.

De Hoge Raad overweegt vervolgens:

“3.9.3 Tegen deze achtergrond en gelet op de onderlinge verwevenheid van [A] en [B], de omstandigheid dat Delta Lloyd c.s. de executie voortvarend hebben ingezet, dat deze buiten haar toedoen en ondanks haar inspanningen daartoe langdurig niet kon worden voltooid, dat de oorzaak van de vertraging verband hield met de opstelling van [eiseressen] en nu gesteld noch gebleken is dat belangen van derden als bedoeld hiervoor in 3.8.2 in het geding waren, getuigt het oordeel van het hof niet van een onjuiste rechtsopvatting. Het is ook niet onbegrijpelijk.”

Nu de overige door eiseressen aangedragen onderdelen ook falen, verwerpt de Hoge Raad, deels met toepassing van artikel 81 lid 1 RO, het cassatieberoep. Dit oordeel is in lijn met de conclusie van de advocaat-generaal Rank-Berenschot.

email print