HR 8 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1511

De objectieve maatstaf voor de uitleg van notariële leverings- en vestigingsakten geldt niet voor de uitleg van de daaraan ten grondslag liggende obligatoire partijafspraken. In dit geval gaat het om de uitleg van een in de hypotheekakte opgenomen contractuele renteclausule, die alleen een rol speelt in de verhouding tussen de oorspronkelijke contractspartijen. Die uitleg dient te geschieden aan de hand van de Haviltex-maatstaf.

Verweerders in cassatie hebben aan verzoekster een geldlening verstrekt. Tot zekerheid voor de terugbetaling van die geldlening heeft verzoekster ten behoeve van verweerders een hypotheekrecht gevestigd op registergoederen. In de hypotheekakte was een renteclausule opgenomen. Tussen partijen is een geschil ontstaan over de uitleg van deze renteclausule. Meer concreet ging het om de vraag of het in de hypotheekakte genoemde bedrag van NAF 720.000,- inclusief rente was (zoals verzoekster stelde) of exclusief rente (zoals verweerders stelden).

Het hof overwoog, onder verwijzing naar vaste rechtspraak van de Hoge Raad (o.a. HR 19 april 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ2904, NJ 2013/240 (Hennekam/Welstand), r.o. 3.5.3), dat het bij de uitleg van een notariële akte ter vestiging van een beperkt recht (zoals in casu de hypotheekakte) aankomt op “de partijbedoeling voor zover die in de akte tot uitdrukking is gebracht” en dat die partijbedoeling moet worden afgeleid uit “de in deze akte gebezigde bewoordingen, uit te leggen naar objectieve maatstaven in het licht van de gehele inhoud van de akte”. Uitgaande van deze objectieve uitlegmaatstaf volgde het hof het standpunt van verweerders dat het in de hypotheekakte genoemde bedrag exclusief rente was.

Dit oordeel houdt in cassatie geen stand, omdat de bedoelde objectieve uitlegmaatstaf slechts geldt voor de uitleg van de goederenrechtelijke overeenkomst, dus voor de vaststelling van (de omvang van) het overgedragen c.q. gevestigde recht. Voor de uitleg van de daaraan ten grondslag liggende obligatoire overeenkomst geldt de reguliere (subjectieve) Haviltex-maatstaf. Dit bleek al uit het arrest Kamsteeg/Lisser (HR 22 oktober 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM9833, NJ 2011/111) en wordt thans door de Hoge Raad bevestigd:

“4.2.2 Het hof heeft in rov. 3.4 voor de toe te passen maatstaf aansluiting gezocht bij HR 19 april 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ2904, NJ 2013/240. In dat arrest heeft de Hoge Raad overwogen dat het bij de uitleg van een notariële akte waarbij een erfdienstbaarheid is vastgelegd, aankomt op de partijbedoeling voor zover die in de notariële akte tot uitdrukking is gebracht, en dat deze bedoeling moet worden afgeleid uit de in de akte gebezigde bewoordingen, uit te leggen naar objectieve maatstaven in het licht van de gehele inhoud van de akte.

Volgens vaste rechtspraak geldt deze maatstaf voor de uitleg van notariële akten die strekken tot levering van registergoederen en de vestiging van beperkte rechten daarop (zie onder meer HR 22 oktober 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM8933, NJ 2011/111). De ratio van deze objectieve uitlegmaatstaf is gelegen in het voor registergoederen geldende stelsel van publiciteit. Derden moeten kunnen afgaan op hetgeen in een – in de openbare registers ingeschreven – akte is vermeld ter zake van de overdracht van een registergoed of van de vestiging van een beperkt recht op een registergoed.

4.2.3 In het onderhavige geval ziet het geschil van partijen niet op hetgeen in de hypotheekakte is vermeld ter zake van de vestiging van het hypotheekrecht, maar op de vraag of partijen zijn overeengekomen dat het in de hypotheekakte genoemde bedrag van NAF 720.000,– inclusief rente is dan wel exclusief rente. Het gaat hier derhalve om de uitleg van een contractuele renteclausule die alleen een rol speelt in de verhouding tussen de oorspronkelijke contractspartijen. Bij de beantwoording van de vraag wat de inhoud is van de op dit punt door partijen gemaakte obligatoire afspraken komt het aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan deze afspraken mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten, zulks in het licht van alle omstandigheden van het geval (de Haviltex-maatstaf; vgl. het hiervoor in 4.2.2 genoemde arrest van de Hoge Raad van 22 oktober 2010, rov. 4.2.3). Het hof heeft dit laatste miskend en heeft aldus blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting.”

De desbetreffende klacht van verzoekster slaagt dus. Ook in het incidentele cassatieberoep van verweerders volgt vernietiging, omdat het hof een rekenfout had gemaakt (r.o. 5.3). Na verwijzing zal alsnog, met inachtneming van de Haviltex-maatstaf, moeten worden bezien of het in de hypotheekakte genoemde bedrag inclusief dan wel exclusief rente was.

Verweerders zijn in cassatie bijgestaan door Hans van Wijk en de auteur, en in feitelijke instanties door Glenda Mercalina.

Share This