Selecteer een pagina

HR 27 januari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV2026 en ECLI:NL:HR:2012:BV2028

Voor iemand die al vrijwillig in een inrichting verblijft, kan de geneesheer-directeur, indien hij niet tevoren bij de behandeling was betrokken, een geneeskundige verklaring afgeven, die de grondslag kan vormen voor gedwongen voortzetting van dat verblijf. De geneesheer-directeur moet in dat geval wel de bevoegdheid hebben de titel van psychiater of zenuwarts te voeren.

Beide zaken betreffen minderjarigen die anders dan door een gedwongen opneming in een inrichting voor verstandelijk gehandicapten verblijven. Deze inrichting is aangemerkt als een psychiatrisch ziekenhuis in de zin van de Wet Bopz. De minderjarigen hebben zich op enig moment verzet tegen hun verblijf in de inrichting. Daarop heeft de officier van justitie op verzoek van de inrichting aan de rechtbank gevraagd een voorlopige machtiging te verlenen. Daarmee zou het verblijf in de inrichting – gedwongen – kunnen worden voortgezet. Bij een dergelijk verzoek van een officier moet onder meer een geneeskundige verklaring worden overgelegd. In beide gevallen was deze verklaring opgesteld en ondertekend door de geneesheer-directeur van de inrichting, die geen psychiater is, maar een arts voor verstandelijk gehandicapten.

Deze handelwijze, ondertekening door een geneesheer-directeur die zelf geen psychiater is, is niet ongebruikelijk in verpleeghuizen en – zoals de wet dat noemt – zwakzinnigeninrichtingen, inrichtingen voor verstandelijk gehandicapten als waarin deze minderjarigen verblijven. Anders dan in “echte” psychiatrische ziekenhuizen is een geneesheer-directeur in deze inrichtingen meestal geen psychiater, maar een andere medisch specialist, een verpleeghuisarts of, zoals in dit geval, een arts voor verstandelijk gehandicapten. Diverse rechtbanken hadden deze handelwijze aanvaard. In de literatuur is echter discussie of deze medisch specialisten wel kunnen worden aangemerkt als “medical expert” zoals bedoeld in het Varbanov-arrest (EHRM 5 oktober 2000).

De Hoge Raad concentreert zich allereerst op de wet, op de samenhang tussen art. 5, eerste lid, onder b, Wet Bopz, waar duidelijk is dat de verklaring moet zijn opgesteld door een psychiater, in relatie tot onderdeel a van dezelfde bepaling, waar de tekst minder duidelijk is. Een redelijke wetsuitleg brengt volgens de Hoge Raad met zich dat een geneesheer-directeur ook in het geval bedoeld onder a van art. 5 lid 1 psychiater (of zenuwarts) dient te zijn, wil hij zijn verklaring kunnen baseren op eigen onderzoek. De Hoge Raad oordeelt niet dat andere medisch specialisten bij de toepassing van de Wet Bopz geen “medical expert” kunnen zijn zoals bedoeld in het Varbanov-arrest, maar vindt dat de wetgever hier (eventueel) een keuze moet maken, niet de rechter:

“Bij de eis dat de verklaring gebaseerd dient te zijn op onderzoek verricht door een niet bij de behandeling betrokken psychiater gaat het om een essentiële waarborg voor het grondrecht op vrijheid, in die zin dat niemand van zijn vrijheid mag worden beroofd buiten de gevallen bij of krachtens de wet voorzien (vgl. HR 21 februari 2003, LJN AF3450, NJ 2003/484). Anders dan de rechtbank heeft geoordeeld met het oog op de praktische problemen waarvoor inrichtingen als de onderhavige zich op dit punt gesteld zien bij strikte toepassing van de wet, is het niet aan de rechter maar aan de wetgever om te bepalen of en zo ja in welke gevallen ook andere artsen dan psychiaters voor de toepassing van de Wet Bopz kunnen gelden als “medical expert” in de hiervoor (…) bedoelde zin.”

De officier van justitie is in cassatie bijgestaan door de auteur.

Share This